Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging wegens niet-naleving van informatieplicht en…

Zaakgegevens

Op 30 september 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 september 2016
Datum publicatie
30 september 2016
Zaaknummer
16/02270
Procedure
Cassatie
Advocaat
aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos thans mr. F.I. van Dorsser.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2231
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging wegens niet-naleving van informatieplicht en sollicitatieplicht en benadeling van schuldeisers (art. 350 lid 3, onder c en e, Fw).

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 26 april 2016

    ECLI:NL:GHDHA:2016:2449
  2. Conclusie A-G · 29 juni 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:914
  3. Hoge Raad · 30 september 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2231

    Niet ontvankelijk · Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

30 september 2016

Eerste Kamer

16/02270

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos thans mr. F.I. van Dorsser.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/09/15/484 R van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2016;

b. het arrest in de zaak 200.187.649/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-10).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.