Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging toepassing schuldsanering.

Zaakgegevens

Op 22 april 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2016
Datum publicatie
22 april 2016
Zaaknummer
16/00463
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:731
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging toepassing schuldsanering.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 19 januari 2016

    ECLI:NL:GHDHA:2016:613
  2. Conclusie A-G · 3 maart 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:287
  3. Hoge Raad · 22 april 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:731

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

22 april 2016

Eerste Kamer

16/00463

RM/RB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.


Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/10/13/1103 R van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2015;

b. het arrest in de zaak 200.180.172/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 januari 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is
aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van
de Procureur-Generaal onder 2 – 6).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 april 2016.