Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw); achterstand afdracht inkomsten aan boedel…

Hoge Raad, 27 mei 2016

Zaakgegevens

Op 27 mei 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 mei 2016
Datum publicatie
27 mei 2016
Zaaknummer
16/00539
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:998
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw); achterstand afdracht inkomsten aan boedel. Persoonlijke (gezins-)omstandigheden onvoldoende meegewogen?

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 maart 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:417
  2. Hoge Raad · 27 mei 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:998

    Conclusie gevolgd

  3. Uitspraak · 2016

    ECLI:NL:GHARL:2016:450

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

27 mei 2016

Eerste Kamer

16/00539

EE/RB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/16/13/409 R van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2015;

b. het arrest in de zaak 200.178.808 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5 en 6).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 mei 2016.