Ondernemingsrecht

Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Besluit tot verlaging van verplichte uittredingsleeftijd van vennoten…

Hoge Raad, 8 oktober 2021

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2021
Datum publicatie
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01337
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
J.H.M van Swaaij, A.C. van Schaick
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1453
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Besluit tot verlaging van verplichte uittredingsleeftijd van vennoten. Ontbreken van compensatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dan wel onrechtmatig? Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Omvang van de schadevergoeding.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 januari 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:24
  2. Conclusie A-G · 19 maart 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:272
  3. Hoge Raad · 8 oktober 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1453

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01337

Datum 8 oktober 2021

ARREST

In de zaak van

HAB HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: HAB,

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

tegen

1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [verweerder 3],
gevestigd te [woonplaats],

4. [verweerder 4],
gevestigd te [woonplaats],

VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: [verweersters],

advocaat: A.C. van Schaick.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/13/598948 / HA ZA 15-1107 van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.199.167/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2016, 19 december 2017, 19 of 20 maart 2019 (hierna: de rolbeslissing) en 7 januari 2020.

HAB heeft tegen de arresten van het hof van 19 december 2017 en 7 januari 2020 en de rolbeslissing beroep in cassatie ingesteld. [verweersters] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van HAB heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten en de rolbeslissing van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten en rolbeslissing. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een van de klachten in het principale beroep slaagt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

  • verwerpt het principale beroep;

  • veroordeelt HAB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweersters] begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien HAB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.