Personen- en familierecht
Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Ondertoezichtstelling; gezamenlijk gezag ouders. Is sprake van…
Hoge Raad, 7 december 2018
ECLI:NL:HR:2018:2258 · Hoge Raad · 7 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2018-2258
Zaakgegevens
Op 7 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 december 2018
- Datum publicatie
- 6 december 2018
- Zaaknummer
- 18/00409
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.E.M Later, mr. S. Kousedghi
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:2258
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Ondertoezichtstelling; gezamenlijk gezag ouders. Is sprake van onaanvaardbaar risico dat minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders? Art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253n lid 1 BW.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 oktober 2018
ECLI:NL:PHR:2018:1356Hoge Raad · 7 december 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:2258
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
7 december 2018
Eerste Kamer
18/00409
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/02/268103/ FA RK 13-4591 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 juli 2014;
b. de beschikkingen in de zaak 200.158.119/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2015, 24 maart 2016 en 26 oktober 2017 (verbeterd bij beschikking van 21 december 2017).
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 26 oktober 2017 heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7 december 2018.