Personen- en familierecht

Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht; huwelijkse voorwaarden. Periodiek verrekenbeding; finale…

Hoge Raad, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
25/04725
Procedure
Cassatie
Advocaat
N.C. van Steijn, C.G.A. van Stratum
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1824
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht; huwelijkse voorwaarden. Periodiek verrekenbeding; finale verrekening; verzoek tot boedelbeschrijving; vergoedingsvordering eenvoudige gemeenschap, art. 1:133 lid 2 BW. Niet behandelen van grieven.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 24 september 2025

    ECLI:NL:GHDHA:2025:2002
  2. Conclusie A-G · 26 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:651
  3. Hoge Raad · 6 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1824

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/04725

Datum 6 november 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: C.G.A. van Stratum.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaken C/09/640939 / FA RK 23-125 (echtscheiding) en C/09/649270 / FA RK 23-4320 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2024 en 22 oktober 2024;

b. de beschikking in de zaak 200.350.135/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 september 2025.

De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 24 september 2025 en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd in 1993.

(ii) Partijen hebben voor de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden opgemaakt, kort gezegd inhoudende een koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding. In de akte van huwelijkse voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.

(…)

Artikel 3.

De kosten van de huishouding waaronder begrepen de kosten van de verzorging en de opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk der comparanten geboren mochten worden, zullen door de echtgenoten naar evenredigheid van hun inkomen worden gedragen. Indien de bedoelde kosten in enig jaar het gezamenlijk bedrag van de inkomsten der echtgenoten mochten overschrijden, zal het meerdere door hen eveneens in evenredigheid van hun inkomen ten laste van ieders vermogen worden gedragen.

Onder de in dit artikel bedoelde inkomsten der echtgenoten wordt verstaan datgene wat volgens de Rijksinkomstenbelasting als zodanig wordt aangemerkt.

Onder deze inkomsten is mede begrepen, hetgeen door hen mocht zijn verkregen door toeval of geluk.

(…)

Artikel 8.

De echtgenoten zijn verplicht na afloop van elk jaar ter gelijkelijke verdeling bijeen te voegen hetgeen in dat jaar van hun netto inkomen uit arbeid:

- niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding waaronder begrepen de kosten van de verzorging en de opvoeding der kinderen;

- niet is besteed danwel niet ten goede is gekomen aan beide echtgenoten casu quo het gezin.

Het recht om deze bijeenvoeging en verrekening terzake te vorderen vervalt na afloop van het tweede jaar volgende op dat, waarop genoemde bijeenvoeging betrekking heeft.

(…)”

2.2

In deze procedure heeft de vrouw verzocht om echtscheiding en nevenverzoeken gedaan. De man heeft eveneens verzocht om echtscheiding en nevenverzoeken gedaan.

2.3

Nadat de rechtbank in een tussenbeschikking de echtscheiding had uitgesproken en had beslist over een aantal nevenverzoeken, heeft zij bij eindbeschikking beslist over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (verrekening, verdeling van eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsrechten).

2.4.1

In hoger beroep heeft de vrouw, voor zover in cassatie van belang, verzocht:

- (onder II) te bepalen dat de sloep aan de vrouw wordt toebedeeld voor een bedrag van € 17.000,-- waarbij de vrouw de helft van dit bedrag aan de man moet vergoeden, subsidiair een bedrag van € 11.340,-- aan de man moet vergoeden;

- (onder III) het vermogen van de man te beschrijven;

- (onder IV) het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan de vrouw toekomt. In dat kader heeft zij bij aanvullend verzoekschrift nader verzocht het aan de man in eigendom toebehorende eiland ‘ [het eiland] ’ (hierna: het eiland) met blokhut voor een waarde van € 775.000,-- te betrekken in de berekening van het totale nog te verrekenen vermogen dat tijdens het huwelijk vanuit overgespaard inkomen is ontstaan, subsidiair om de blokhut daarin te betrekken met inachtneming van een door twee nader genoemde makelaars gezamenlijk en in goed onderling overleg bepaalde waarde, meer subsidiair tegen een door het hof benoemde deskundige vastgestelde waarde.

2.4.2

Het hof heeft (ter zake van de lasten van de echtelijke woning) de man veroordeeld om aan de vrouw € 5.773,60 te betalen, de waarde van de sloep vastgesteld op een bedrag van € 17.000,-- en bepaald dat de man ter zake van de verdeling van de sloep € 8.500,-- aan de vrouw dient te voldoen. Het hof heeft de eindbeschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, en het meer of anders verzochte afgewezen.

2.4.3

Over het verzoek onder II (zie hiervoor in 2.4.1) heeft het hof overwogen:

“verzoek van de vrouw onder II: verdeling eenvoudige gemeenschap: de sloep

(…)

5.6

Het hof stelt voorop dat de vrouw in eerste aanleg (…) heeft verzocht om de sloep aan de man toe te delen onder betaling van de helft van de waarde van de sloep aan de vrouw. Omdat de man het daarmee eens was, heeft de rechtbank aldus beslist. De vrouw kan in het kader van de verdeling van (de eenvoudige gemeenschap van) de sloep daarom niet (succesvol) appelleren tegen de beslissing om de sloep aan de man toe te delen, doch wel tegen de beslissing om dat te doen tegen de getaxeerde waarde minus € 6.833,- (zodat de man de helft van het resterende bedrag aan de vrouw moet vergoeden), nu dat ziet op de financiële afwikkeling van die verdeling. Het hof begrijpt dat de vrouw vindt dat de rechtbank bij die beslissing ten onrechte rekening heeft gehouden met een vergoedingsrecht dat de man op de vrouw zou hebben vanwege een door hem gestelde hogere inleg dan de vrouw, hetgeen volgens haar onjuist is. De man is daarentegen van mening dat de rechtbank juist heeft beslist.

5.7

Om te kunnen beslissen op het verzoek van de vrouw onder II, zal het hof hieronder de vraag beantwoorden of de man op de vrouw een vergoedingsrecht heeft ten aanzien van de sloep, en zo ja, hoe hoog dat vergoedingsrecht is.

5.8

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij de sloep gezamenlijk hebben aangeschaft waardoor die aan hen in mede-eigendom toebehoort. Partijen zijn (…) buiten iedere gemeenschap van goederen getrouwd. De sloep is een eenvoudige gemeenschap in de zin van Titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat betekent dat partijen ieder zijn/haar eigen aandeel in de sloep moest financieren conform dat aandeel, zijnde 50%. Als wordt vastgesteld dat een van partijen een groter aandeel uit privévermogen heeft gefinancierd dan waartoe hij/zij conform zijn/haar aandeel in het goed gehouden was, kan die partij indien daarvoor een rechtsgrond is in beginsel voor dat gedeelte een vergoedingsrecht op de ander hebben. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden geen bepaling opgenomen met betrekking tot vergoedingsrechten, derhalve moet aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad worden vastgesteld of er een vergoedingsrecht is en wat de hoogte is van het vergoedingsrecht. Het vergoedingsrecht is ontstaan voor 1 januari 2012 derhalve is artikel 1:87 BW niet van toepassing.

5.9

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof de juistheid van de stellingen van de man ten aanzien van de financiering van de sloep niet verifiëren. De sloep is door partijen betaald vanaf de gezamenlijke rekening, waarvan ieder deelgerechtigde was tot het bedrag dat ieder van hen daarop respectievelijk had gestort, dan wel tot de helft van het saldo. Dat de man het bedrag dat hij uit de erfenis van zijn moeder op de gezamenlijke rekening heeft gestort ten behoeve van de betaling van 1/3e van de sloep, maakt niet dat hij daarmee het aandeel van de vrouw in de sloep heeft gefinancierd. De man verklaart bovendien in punt 47 van zijn brief van 7 augustus 2024 dat de financiering van de sloep als volgt is gedaan: 1/3e uit privévermogen van de man, 1/3e uit privévermogen van de vrouw (‘uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen. Het hof stelt vast dat de man niet heeft aangetoond hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep.

5.10

De sloep is thans getaxeerd op € 17.000,-. Het hof zal de wijze van verdeling met betrekking tot de sloep bekrachtigen met dien verstande dat uitgegaan moet worden van een waarde van € 17.000,- en dat de man aan de vrouw dient te voldoen de somma van € 8.500,-.”

2.4.4

Over de verzoeken onder III en IV (zie hiervoor in 2.4.1) heeft het hof overwogen:

“4.2 (…) De vrouw werkt haar verzoek onder IV bij aanvullend beroepschrift van 30 juli 2025 nader uit, in die zin dat zij het hof verzoekt om naar het hof begrijpt het eiland met blokhut voor een waarde van € 775.000,00 te betrekken in de berekening van het totale nog te verrekenen vermogen wat tijdens het huwelijk vanuit overgespaard inkomen is ontstaan, subsidiair om de blokhut daarin te betrekken met inachtneming van een door makelaars (…) gezamenlijk en in goed onderling overleg bepaalde waarde, meer subsidiair tegen een door het hof benoemde deskundige vastgestelde waarde.

(…)

verzoeken van de vrouw onder III en IV: beschrijving vermogen van de man en finale verrekening

5.11

Gelet op de onderlinge samenhang van de verzoeken van de vrouw onder III en IV, zal het hof die hieronder gezamenlijk bespreken.

5.12

De vrouw verzoekt het hof in haar petitum onder III om het vermogen van de man te beschrijven. De vrouw verzoekt het hof in haar petitum onder IV om het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan de vrouw toekomt. Bij aanvullend verzoekschrift van 30 juli 2025 werkt zij haar verzoek gedeeltelijk nader uit, in die zin dat zij betoogt dat het eiland meegenomen moet worden tegen een waarde van € 775.000,-. Het hof begrijpt het verzoek van de vrouw onder IV aldus dat de vrouw hiermee een beslissing van het hof wil over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden inzake het te verrekenen vermogen, waarvan het eiland volgens de vrouw deel uitmaakt.

5.13

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Partijen zijn getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen (artikel 1) en voorts mede omvattende een periodiek verrekenbeding (artikel 8). Tijdens het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt in beginsel afgewikkeld als een finaal verrekenbeding. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

5.14

Het hof zal de verzoeken van de vrouw afwijzen. Hiertoe overweegt het hof dat de vrouw haar vordering uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende heeft geconcretiseerd. Het ligt op de weg van de partij die verrekening vordert om aan te geven wat de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen is en hoeveel zijn/haar verrekenvordering bedraagt. Daartoe kan van de verrekenplichtige echtgenoot een vermogensbeschrijving verlangd worden waarop de artikelen 671 tot en met 676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van overeenkomstige toepassing zijn (artikel 1:143, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De vrouw vordert geen concreet bedrag, noch heeft zij een vermogensbeschrijving van de man overgelegd, noch stelt zij het hof in staat om het vermogen van de man te beschrijven. Zij had moeten aangeven welke vermogensbestanddelen omschreven dienen te worden, dan wel waar haar verzoek precies op ziet. Hoewel de vrouw in haar processtukken (in eerste aanleg en hoger beroep) ter onderbouwing van haar verzoeken een veelvoud van vermogensbestanddelen, giften, spaarsaldi en voorhuwelijks vermogen noemt, kan het hof daarmee niet vaststellen waaruit het vermogen van de man bestaat noch welk bedrag voor verrekening in aanmerking komt.

5.15

Het had op de weg van de vrouw gelegen om deugdelijke verzoeken te doen althans haar verzoeken deugdelijk te onderbouwen hetgeen zij naar het oordeel van het hof niet heeft gedaan. De wijze waarop in deze zaak is geprocedeerd maakt het voor het hof onmogelijk om op basis van de feiten en de wet een rechtvaardig oordeel te kunnen vormen.

Bewijsaanbod

5.16

Voor zover de vrouw heeft aangeboden om haar stellingen te bewijzen, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft aangeboden om bewijs te leveren van haar stellingen omtrent (1) de financiering van het perceel grond (…) en (2) de schenkingen die zij van haar ouders heeft ontvangen, door relevante bankadministratie en overige stukken in het geding te brengen en haar moeder, broer en zusters als getuigen te horen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bewijsaanbod tevergeefs is, nu de stellingen waarvan het bewijs wordt aangeboden voor het onderhavige oordeel niet relevant zijn. Het hof merkt ten overvloede op dat volgens vaste rechtspraak van een partij die zich beroept op schriftelijk bewijs waarover zij beschikt, mag worden verlangd dat zij dit uit zichzelf in het geding brengt (…).

5.17

Het hof zal de verzoeken van de vrouw onder III en IV afwijzen.

(…)”

3 Beoordeling van het principale middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen rov. 5.11-5.17, waarin het hof heeft geoordeeld dat de verzoeken van de vrouw onder III en IV moeten worden afgewezen. Het klaagt in de kern dat het hof heeft verzuimd om de grieven 3 tot en met 5 van de vrouw te beoordelen.

3.2

Dit onderdeel slaagt. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw, hoewel dat op haar weg had gelegen, niet een overzicht van de vermogensbestanddelen van haarzelf en van de man, met door haar daaraan toegekende waarden, in het geding heeft gebracht. Vervolgens heeft de rechtbank aan de hand van de door de man gestelde vermogensbestanddelen van beide partijen en de daarop betrekking hebbende stellingen van de vrouw een oordeel gegeven over de te verrekenen vermogens. In hoger beroep is de vrouw met de grieven 3 tot en met 5 gemotiveerd opgekomen tegen oordelen van de rechtbank met betrekking tot (de waarde van) specifieke vermogensbestanddelen. Deze grieven had het hof moeten behandelen, ook indien moet worden aangenomen dat de vrouw ook in hoger beroep niet een beschrijving van de vermogensbestanddelen heeft overgelegd met toekenning van een waarde daaraan. De grieven zouden immers kunnen leiden tot andere oordelen over de desbetreffende vermogensbestanddelen en daarmee over de omvang van de te verrekenen vermogens. Het hof is in de bestreden beschikking evenwel niet ingegaan op deze grieven.

3.3

Onderdeel 2, dat is gericht tegen rov. 5.14-5.15, slaagt voor zover het voortbouwt op onderdeel 1 (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.33).

3.4

Onderdeel 3 betreft het bij aanvullend beroepschrift nader uitgewerkte verzoek van de vrouw ten aanzien van het eiland met blokhut (zie hiervoor in 2.4.1 onder IV). Het klaagt dat de motivering in rov. 5.11-5.15 de afwijzing van dit verzoek niet kan dragen.

3.5

Ook deze klacht slaagt. Het hof heeft in rov. 4.2 overwogen dat de vrouw bij aanvullend beroepschrift een nadere uitwerking heeft gegeven van haar verzoek onder IV. Op dit nader uitgewerkte verzoek heeft het hof, anders dan met de afwijzing in het dictum van “het meer of anders verzochte”, niet kenbaar beslist.

3.6

Onderdeel 4 klaagt dat bij het slagen van de voorgaande onderdelen ook het oordeel van het hof in rov. 5.16 over het bewijsaanbod niet in stand kan blijven. Indien de grieven 3 tot en met 5 alsnog moeten worden beoordeeld, valt zonder nadere motivering niet te begrijpen waarom het bewijsaanbod om getuigen te horen in verband met de desbetreffende stellingen van de vrouw niet relevant is, aldus de klacht.

3.7

De klacht slaagt in het voetspoor van de hiervoor behandelde klachten.

3.8

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het incidentele middel

4.1

Het middel is gericht tegen het oordeel in rov. 5.9 over de verdeling van de sloep, die door het hof in rov. 5.8 is aangemerkt als een eenvoudige gemeenschap. Het klaagt in de kern dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof niet, althans niet voldoende gemotiveerd, is ingegaan op de stellingen van de man over de financiering van de sloep, alsmede dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan deze stellingen. De desbetreffende stellingen komen erop neer dat de man een derde deel van de koopsom van de sloep heeft betaald uit een voorschot op de erfenis van zijn moeder, en dat dit deel buiten de verrekening moet blijven.

4.2

De klacht slaagt. De man heeft gesteld dat hij een derde deel van de koopsom van de sloep heeft betaald uit een voorschot op de erfenis van zijn moeder. Dit heeft hij onderbouwd met een verwijzing naar bankafschriften die de vrouw en de man als producties hebben overgelegd. De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat de man op basis hiervan heeft betoogd dat, wat betreft de sloep, een derde deel buiten het te verrekenen vermogen moet blijven omdat de sloep voor dat deel is betaald met geld dat afkomstig is uit de erfenis. Het hof heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de stelling van de man dat hij een derde deel van de koopsom van de sloep heeft betaald uit een voorschot op de erfenis van zijn moeder niet toereikend is, en is voor het overige niet kenbaar op de stellingen van de man ingegaan. Aldus heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 24 september 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.E. du Perron als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 6 november 2026.

Gerechtshof Den Haag 24 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2002.