Personen- en familierecht
Zorgwetten. Wvggz. Verzoek tot wijziging van zorgmachtiging. Art. 8:1 lid 1 Wvggz. Verschil tussen…
Hoge Raad, 6 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1826 · Hoge Raad · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1826
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 25/04180
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- G.E.M. Later, R. de Graaff
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1826
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zorgwetten. Wvggz. Verzoek tot wijziging van zorgmachtiging. Art. 8:1 lid 1 Wvggz. Verschil tussen tenuitvoerlegging en uitvoering van zorgmachtiging. Art. 8:12 Wvggz. Internetstoring OM. Over te leggen stukken.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:812Hoge Raad · 6 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1826
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/04180
Datum 6 november 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: R. de Graaff.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/705190 / FA RK 25-6281 van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
Op 23 juni 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 23 december 2025.
Op 15 augustus 2025 heeft de officier van justitie verzocht de hiervoor in 2.1 vermelde zorgmachtiging te wijzigen, door deze aan te vullen met ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg.
In haar beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat bij het verzoekschrift de volgende bijlagen zijn gevoegd:
- de medische verklaring van 14 augustus 2025;
- het aangepaste zorgplan van 13 augustus 2025;
- de beslissing als bedoeld in art. 8:12 lid 2 Wvggz en art. 8:13 lid 1-3 Wvggz van 12 augustus 2025;
- de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 14 augustus 2025;
- het advies van de geneesheer-directeur van 14 augustus 2025;
- de bestaande zorgmachtiging.
In het verzoekschrift is onder het kopje ‘Bijlagen’ onder meer vermeld:
“Het is op dit moment vanwege de verstoringen waarmee het OM te maken heeft, niet mogelijk om de beschikking en alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging te overleggen. Mochten deze gegevens noodzakelijk lijken voor de beoordeling/beslissing, kunt u telefonisch contact opnemen met het OM.”
De rechtbank heeft de zorgmachtiging gewijzigd zoals verzocht en daartoe als volgt overwogen:
“2.4. Primair stelt de advocaat dat de zorgmachtiging van 23 juni 2025, die ten grondslag ligt aan het thans voorliggende verzoek, niet binnen twee weken ten uitvoer is gelegd, de zorgmachtiging daardoor is vervallen en zodoende niet kan worden uitgebreid met een aanvullende zorgvorm, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet duidelijk is wanneer begonnen is met de tenuitvoerlegging van de verplichte zorg. Wel staat vast dat betrokkene momenteel pas een week is opgenomen, terwijl de machtiging al op 23 juni 2025 is verleend. Daarmee staat vast, aldus de raadsman, dat de termijn van twee weken waarbinnen de tenuitvoerlegging van de machtiging op grond van artikel 8:1 lid 1 van de Wvggz had moeten aanvangen, ruimschoots is overschreden, zodat de machtiging geacht moet worden niet meer te bestaan. Een zorgmachtiging die niet meer bestaat, kan ook niet worden gewijzigd.
De rechtbank gaat niet mee in het verweer en overweegt als volgt.
Aan de overschrijding van de twee weken termijn als bedoeld in artikel 8:1 lid 1 Wvggz is in de Wvggz niet de sanctie verbonden dat een zorgmachtiging komt te vervallen. Alhoewel de bedoeling van de wetgever is geweest dat zo spoedig mogelijk zorg dient te worden verleend (Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 126), bepaalt de Wvggz, anders dan de Wet zorg en dwang en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, niet dat een zorgmachtiging komt te vervallen als de machtiging niet binnen twee weken feitelijk ten uitvoer is gelegd.
Bovendien is de zorgmachtiging naar het oordeel van de rechtbank wel binnen de termijn van artikel 8:1 lid 1 Wvggz ten uitvoer gelegd. In artikel 1:1 sub s Wvggz staat namelijk dat tenuitvoerlegging het volgende inhoudt: ‘er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging'. In de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, p. 95) wordt tenuitvoerlegging als volgt toegelicht: ‘Wat betreft de verantwoordelijkheid voor het feitelijk in gang zetten van de zorgverlening aan de betrokkene dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de tenuitvoerlegging en de uitvoering van de zorgmachtiging. De geneesheer-directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging is bij het openbaar ministerie belegd. Deze tenuitvoerlegging houdt in dat het openbaar ministerie een afschrift van de zorgmachtiging doet toekomen aan de in die zorgmachtiging opgenomen zorgaanbieder. Daarmee is de officier van justitie eindverantwoordelijke voor het proces en is de geneesheer-directeur eindverantwoordelijk voor de zorginhoud.’ Door middel van het, in de praktijk gebruikelijke, doen van de mondelinge uitspraak direct in aansluiting op de mondelinge behandeling, het direct daarop volgend verstrekken van een kennisgeving mondelinge uitspraak en/of het verzenden van een beschikking van de rechtbank, heeft de zorgaanbieder kennis genomen van de beslissing van de rechter en is hij in staat gesteld om te beginnen met het verlenen van zorg. In dit geval is de zorgmachtiging op 30 juni 2025 op schrift gesteld en op grond van art. 6:4 lid 7 sub b Wvggz aan onder meer de zorgaanbieder verzonden.
Concluderend is de zorgmachtiging van 23 juni 2025 dan ook niet komen te vervallen, zodat een aanvulling op de daarin opgenomen zorgvormen kan worden verzocht.
Gebleken is dat de zorgvorm “insluiten”, die niet is opgenomen in de zorgmachtiging, noodzakelijk is geweest om een crisissituatie af te wenden en dat voorzienbaar is dat een dergelijke situatie zich gedurende de resterende duur van de machtiging nogmaals zou kunnen voordoen. Deze zorgvorm is gebaseerd op de aanvraag van de zorgverantwoordelijke en het advies van de geneesheer-directeur en het gewijzigde zorgplan van 13 augustus 2025.
Deze vorm van verplichte zorg is door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. De advocaat stelt dat het insluiten gerelateerd is aan de zorgvorm het opnemen in de accommodatie en dat dit expliciet in de beschikking vermeld moet worden. Omdat de zorgvorm insluiten altijd aan een opname verbonden is, ziet de rechtbank geen aanleiding dat expliciet in deze beschikking te vermelden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook de volgende vorm van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- het insluiten.
(…).”
3 Beoordeling van het middel
Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot wijziging van de zorgmachtiging. Volgens het onderdeel is de in art. 8:1 lid 1 Wvggz opgenomen termijn van twee weken voor tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging overschreden. De zorgmachtiging is verleend op 23 juni 2025, de beschikking is op 30 juni 2025 verstrekt en voor het eerst op 12 augustus 2025 is aan betrokkene verplichte zorg verleend. Vanwege deze termijnoverschrijding was de machtiging op 12 augustus 2025 niet meer geldig en kon zij dus ook niet worden gewijzigd, aldus het onderdeel.
Uit art. 8:1 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 1:1 lid 1, onder s, Wvggz volgt dat de officier van justitie onverwijld, maar uiterlijk binnen twee weken na afgifte door de rechter, overgaat tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging. De tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging houdt in: ervoor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de zorgmachtiging. Bepalend voor de vraag wanneer is overgegaan tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging, is het moment waarop de zorgaanbieder een afschrift van de zorgmachtiging heeft ontvangen en kan beginnen met het verlenen van verplichte zorg, en niet het moment waarop de zorgaanbieder voor het eerst op grond van de machtiging verplichte zorg verleent (uitvoering van de zorgmachtiging).
De zorgmachtiging verliest niet haar geldigheid wanneer niet binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz opgenomen termijn is overgegaan tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging. Het niet tijdig overgaan tot tenuitvoerlegging van een zorgmachtiging behoort immers niet tot de in art. 6:6 Wvggz opgesomde gevallen waarin een zorgmachtiging vervalt. Het onderdeel mist op die grond doel.
Opmerking verdient dat de rechtbank heeft vastgesteld – in cassatie onbestreden – dat de zorgmachtiging van 23 juni 2025 op 30 juni 2025 op schrift is gesteld en aan onder meer de zorgaanbieder is verzonden. Daarmee is de zorgaanbieder binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz genoemde termijn in staat gesteld te beginnen met de uitvoering van de zorgmachtiging.
Onderdeel II klaagt dat uit de bestreden beschikking blijkt dat bij het verzoek niet de stukken zijn overgelegd die ten grondslag hebben gelegen aan de bestaande zorgmachtiging, terwijl die stukken wel noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging te kunnen beoordelen.
Bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in art. 8:12 lid 5 Wvggz dienen, naast de in art. 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken, de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen te worden overgelegd, voorzien van een actualisering daarvan met het oog op de vormen van verplichte zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet.
Uit de vaststelling door de rechtbank (zie hiervoor in 2.3.1) volgt dat de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de bestaande zorgmachtiging, niet bij het verzoekschrift tot wijziging zijn gevoegd. Er moet daarom in cassatie van worden uitgegaan dat de rechtbank niet beschikte over die gegevens. Onderdeel 2 is dus terecht voorgesteld.
De in het verzoekschrift tot wijziging gemelde omstandigheid (zie hiervoor in 2.3.2) dat het wegens de verstoringen waarmee het Openbaar Ministerie te maken had, niet mogelijk was om de beschikking en alle stukken over te leggen die ten grondslag hebben gelegen aan de te wijzigen zorgmachtiging, kan aan het voorgaande niet afdoen. De rechtbank had hetzij moeten zorgen dat zij alsnog over die stukken kwam te beschikken, hetzij moeten motiveren waarom zij dat niet heeft gedaan of waarom zij zonder die stukken de toewijsbaarheid van het verzoek tot wijziging kon beoordelen.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.E. du Perron als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 6 november 2026.