Personen- en familierecht

Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Informeel samenlevenden, financiële afwikkeling na…

Hoge Raad, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
25/02767
Procedure
Cassatie
Advocaat
J.E. Strengholt-Geitenbeek, R.J. ter Rele
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1827
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Informeel samenlevenden, financiële afwikkeling na beëindiging affectieve relatie. Regresvordering van man op vrouw in verband met inbreng eigen geld bij financiering gezamenlijke woning; verjaring (art. 3:307 BW), verrekening (art. 6:131 lid 1 BW).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:654
  2. Hoge Raad · 6 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1827

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02767

Datum 6 november 2026

ARREST

In de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: R.J. ter Rele.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/05/418891 / HA ZA 23-206 van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2023, 1 november 2023 en 7 februari 2024;

b. de arresten in de zaak 200.341.109 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 en 20 mei 2025.

De vrouw heeft tegen het arrest van het hof van 20 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door O.D. Kemerink.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025, en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samengewoond in een huis dat zij gezamenlijk hebben gekocht voor € 271.768,69 en dat op 2 februari 2017 aan hen is geleverd, ieder voor de onverdeelde helft (hierna: het huis).

(ii) Van de koopprijs heeft de man een bedrag van € 101.618,69 betaald. De overige € 170.150,-- is gefinancierd met een hypothecaire lening waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn.

(iii) De relatie van partijen was in elk geval in augustus 2022 geëindigd.

(iv) Sinds partijen uit elkaar zijn, woont de man in het huis.

2.2

In deze procedure heeft de vrouw gevorderd, voor zover in cassatie van belang:

- te bepalen dat het huis wordt verkocht en geleverd aan een derde;

- vervangende toestemming om het huis te mogen verkopen door het geven van een verkoopopdracht aan een makelaar; en

- veroordeling van de man tot volledige medewerking aan de verkoop van het huis.

De man heeft in reconventie gevorderd, voor zover in cassatie van belang:

- het huis aan hem toe te delen onder de verplichting de hypotheekschuld bij de bank als zijn eigen schuld over te nemen, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid; en

- te bepalen dat de overbedelingsvordering die de vrouw zal krijgen bij toedeling van het huis aan de man, en die de man zal betalen bij het notarieel transport van het huis, wordt verminderd met een bedrag van – na vermeerdering van eis in hoger beroep – € 135.844,--, dan wel met een door de rechter vast te stellen bedrag, dan wel met een bedrag van € 50.809,35, een en ander in verband met het bedrag dat de man bij de financiering van het huis voor zijn rekening heeft genomen (zie hiervoor in 2.1 (ii)).

2.3

De rechtbank heeft een wijze van verdeling van het huis en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening gelast. De rechtbank heeft daarbij onder meer bepaald dat het huis wordt toegedeeld aan de man onder de verplichting van de man om de aan het huis verbonden hypotheekschuld over te nemen als zijn eigen schuld, en dat aan elk van partijen de helft van de overwaarde van het huis toekomt zonder verrekening van enig bedrag.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het heeft onder meer geoordeeld (in rov. 2.13) dat de man in verband met de aankoop van het huis en de betaling van € 101.618,69 een vordering heeft gekregen op de vrouw van € 50.809,35 en dat deze vordering is verjaard. Het hof heeft verder geoordeeld (in rov. 2.15, slot) dat de man, als hij erin slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen, het bedrag van € 50.809,35 kan verrekenen met de vordering die de vrouw dan op hem heeft wegens overbedeling. Het hof heeft bepaald dat het huis wordt toegedeeld aan de man onder de verplichting voor de man de aan het huis verbonden hypotheekschuld over te nemen als zijn eigen schuld, en dat de man aan de vrouw – bij gelegenheid van de overdracht van het huis – de helft van de overwaarde van het huis dient te betalen, waarbij hij het bedrag van € 50.809,35 kan verrekenen. De relevante overwegingen luiden als volgt:

“2.8 In de grieven 2 en 3 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vastgesteld dat hij een vordering op de vrouw heeft in verband met de betaling van € 101.618,69. Hij beroept zich op artikel 6:6 BW en de jurisprudentie van dit hof over die rechtsgrond. De vrouw betwist de vordering en motiveert dit met een beroep het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 [voetnoot in origineel: HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707]. Volgens de vrouw kan de vordering ook niet gebaseerd worden op de artikelen 6:6 of 3:172 BW.

2.9

Het hof is van oordeel dat de grief van de man slaagt. De artikelen 6:6 en 6:10 BW zijn van toepassing. Partijen hebben het huis samen gekocht en het is hen samen geleverd. Tegenover de verkoper hebben zij zich hoofdelijk verbonden tot betaling van de hele koopprijs. Partijen hebben samen, door middel van de hoofdelijk aangegane hypothecaire lening, een deel van de koopprijs voldaan en de rest is betaald door de man. De man heeft daarmee meer dan de helft betaald van de hoofdelijke schuld aan de verkoper. De vrouw heeft geen argumenten aangedragen waarom die door de man betaalde hoofdelijke schuld haar niet voor de helft aangaat, terwijl zij wel de helft van het huis in eigendom heeft gekregen. De man heeft € 50.809,35 meer betaald dan hem in de onderlinge verhouding tot de vrouw aangaat en dus heeft de man voor dat bedrag een vordering op de vrouw.

2.10

De vrouw heeft ook gesteld dat een mogelijke regresvordering van de man is verjaard. Zij stelt dat de vordering van de man is ontstaan op 2 februari 2017 en pas voor het eerst is opgeëist op 22 augustus 2022, meer dan vijf jaar later. De man heeft in de onderbouwing van zijn vierde grief gesteld [dat] het beroep van de vrouw op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het gaat om een minimale termijnoverschrijding, de rechtszekerheid niet in het geding is en de man niet wist dat hij de verjaring diende te stuiten.

2.11

Het hof oordeelt dat het beroep van de vrouw op verjaring niet onaanvaardbaar is en slaagt. Artikel 6:38 BW bepaalt dat een vordering, als er geen termijn voor nakoming is bepaald, direct opeisbaar is. Dat betekent in dit geval dat de vordering van de man opeisbaar is vanaf de datum van het passeren van de leveringsakte en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn zodat op grond van artikel 3:307 BW de verjaring was voltooid voordat de man zijn vordering heeft opgeëist. Verjaring is een wettelijke regeling van dwingend recht. Het toepassen van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet daarop zeer terughoudend worden toegepast. De door de man aangevoerde argumenten zijn daartoe onvoldoende. Het verweer van de vrouw dat de vordering van de man op haar voor een bedrag van € 50.809,35 is verjaard slaagt daarom.

(…)

2.13

De conclusie uit vorenstaande is dat de man in verband met de aankoop van het huis en de betaling van € 101.618,69 een vordering heeft gekregen op de vrouw van € 50.809,35 en dat deze vordering is verjaard. (…)

2.15

In grief 6 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een eventueel verjaarde vordering nog steeds voor verrekening in aanmerking komt. Hij verbindt hieraan in zijn petitum geen vordering. De vrouw betwist dat aan de voorwaarden voor verrekening wordt voldaan, onder meer omdat de vordering verjaard zou zijn. Artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt met zoveel woorden dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. In het geval de vrouw een vordering op de man heeft en beide vorderingen voldoen aan het bepaalde van artikel 6:127 BW staat de verjaring van de vordering dus niet aan verrekening in de weg. De grief slaagt. Als de man erin slaagt de woning uit de gemeenschap over te nemen kan hij het bedrag van € 50.809,35 verrekenen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met de verrekening van de overwaarde.”

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Onderdeel I van het middel komt op tegen rov. 2.15, waarin het hof oordeelt dat de verjaring van de vordering van de man niet in de weg staat aan verrekening. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 6:131 lid 1 BW. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat verrekening door de man niet mogelijk was omdat de vordering van de man reeds was verjaard op het moment dat de vrouw een vordering wegens overbedeling kreeg op de man.

3.2.1

Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.

3.2.2

Het hof heeft het standpunt van de vrouw gevolgd dat de verjaring van de vordering van de man op 22 augustus 2022 reeds was voltooid. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze verjaring niet aan verrekening in de weg staat en dat de man, als hij erin slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen, zijn vordering ten bedrage van € 50.809,35 in verrekening kan brengen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met de verrekening van de overwaarde. De vordering van de vrouw op de man was dus nog niet ontstaan op het moment dat de verjaring van de vordering van de man op de vrouw volgens de vaststelling van het hof reeds was voltooid. Bij deze stand van zaken is, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, onjuist het oordeel van het hof dat de verjaring van de vordering van de man er niet aan in de weg staat dat de man die vordering in verrekening brengt met de vordering van de vrouw uit overbedeling. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt dus.

3.3

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1

Nu het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.

4.2

Het middel richt zich tegen de honorering van het beroep op verjaring. Het klaagt onder meer dat het hof miskent dat de aanvullende dan wel beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de vordering van de man op de vrouw pas opeisbaar is geworden bij het einde van de relatie tussen de man en de vrouw.

Het middel klaagt voorts dat het hof miskent dat de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW op grond van art. 3:307 lid 2 BW pas is gaan lopen van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de man aan de vrouw heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, namelijk op 22 augustus 2022. De vordering van de man op de vrouw is een verbintenis uit overeenkomst tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW, aldus het onderdeel.

Daarnaast klaagt het middel dat het hof miskent dat, indien de rechtsvordering van de man op de vrouw verjaard zou zijn, het beroep van de vrouw op deze verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Als het hof dit alles niet heeft miskend, is zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus het middel.

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3.1

Uit de gedingstukken in feitelijke instanties blijkt niet dat de man heeft aangevoerd dat de vordering van de man op de vrouw pas opeisbaar is geworden bij het einde van de relatie. De man heeft ook niet aangevoerd dat sprake is van een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. De man is daarentegen ervan uitgegaan dat de vordering opeisbaar was op het moment van de levering van het huis, in februari 2017, en dat toen ook de verjaringstermijn is gaan lopen. De man heeft in de feitelijke instanties dan ook niet weersproken dat de vordering verjaard is, maar heeft betoogd dat het beroep van de vrouw op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Ter onderbouwing van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft de man naar voren gebracht dat het gaat om een minimale termijnoverschrijding van een paar maanden, dat aan het belang dat met de verjaring is gediend – namelijk de rechtszekerheid – geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend omdat de inleg van de man nog goed in kaart is te brengen, dat net als de gangbare feitelijke praktijk bij gehuwden met een Amsterdams verrekenbeding vermogensrechtelijke kwesties eerst bij het einde van de affectieve relatie aan bod komen, en dat de man leek is en niet wist dat hij eventuele verjaring had moeten stuiten (memorie van grieven, randnummer 23).

4.3.2

Het hof heeft in rov. 2.11 geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat een termijn voor nakoming is overeengekomen, zodat op grond van art. 6:38 BW in verbinding met art. 3:307 BW de verjaring was voltooid voordat de man zijn vordering heeft opgeëist. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen de man in feitelijke instanties heeft aangevoerd (zie hiervoor in 4.3.1, eerste alinea), niet onbegrijpelijk.

Ook het oordeel van het hof dat de door de man aangevoerde argumenten (zie hiervoor in 4.3.1, tweede alinea) onvoldoende zijn om de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op het verjaringsberoep van de vrouw toe te passen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De hiervoor in 4.2 genoemde klachten stuiten hierop af.

4.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

in het principale en incidentele beroep voorts:

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter, de vicepresident C.E. du Perron en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 6 november 2026.

Rechtbank Gelderland 7 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:599. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:696. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, rov. 3.2.