Strafrecht overig

HR: art. 81.1 RO, ook t.a.v. het tweede middel. CAG over art. 69.2 AWR en de bijzondere…

Zaakgegevens

Op 10 februari 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 februari 2015
Datum publicatie
10 februari 2015
Zaaknummer
14/01145
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:267
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO, ook t.a.v. het tweede middel. CAG over art. 69.2 AWR en de bijzondere vervolgingsuitsluitingsgrond die de inkeerregeling van art. 69.3 AWR bevat.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2013

    ECLI:NL:GHARL:2013:7321
  2. Conclusie A-G · 9 december 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:2838
  3. Hoge Raad · 10 februari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:267

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

10 februari 2015

Strafkamer

nr. 14/01145

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2013, nummer 21/002172-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.J.M.E. de Bont en mr. J.M. Sitsen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Mr. De Bont heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.