Strafrecht overig

Valsheid in geschrift door voormalig directeur Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Art. 225 Sr. Middel ziet…

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 oktober 2018
Datum publicatie
25 oktober 2018
Zaaknummer
17/01028
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2007
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Valsheid in geschrift door voormalig directeur Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Art. 225 Sr. Middel ziet o.m. op de vraag of opmaken (agenda)afspraken in een digitale agenda een geschrift a.b.i. art. 225.1 Sr betreft en of deze agenda een bewijsbestemming had binnen de organisatie. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 14 februari 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:311
  2. Conclusie A-G · 28 augustus 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1209
  3. Hoge Raad · 30 oktober 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2007

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Inhoudsopgave

30 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/01028

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 februari 2017, nummer 22/000435-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Gonzalez Bos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 95 uren, subsidiair 47 dagen hechtenis, belopen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.