Strafrecht overig

Aanwezig hebben hennepplanten, hennepafval en henneptoppen (art. 3.C Opiumwet) en telen hennepstekken (art…

Zaakgegevens

Op 11 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 december 2018
Datum publicatie
7 december 2018
Zaaknummer
17/04160
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2280
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Aanwezig hebben hennepplanten, hennepafval en henneptoppen (art. 3.C Opiumwet) en telen hennepstekken (art. 3.B Opiumwet). 1. Denaturering verklaring verdachte. 2. Bewijs wetenschap verdachte van aanwezigheid van hennepafval en henneptoppen in (afgesloten) zakken en emmers. 3. Bewijsklachten hennepstekkenteelt. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04159 P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1362
  2. Hoge Raad · 11 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2280

Uitspraak

Inhoudsopgave

11 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/04160

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 juni 2017, nummer 23/003508-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, en C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2018.