Strafrecht overig

Opiumwetdelicten. Falende middelen over grondslagverlating door als pleegplaats Nederland bewezen te…

Zaakgegevens

Op 23 januari 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2018
Datum publicatie
23 januari 2018
Zaaknummer
16/00727
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:75
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Opiumwetdelicten. Falende middelen over grondslagverlating door als pleegplaats Nederland bewezen te verklaren terwijl is tlgd. dat het feit in Rotterdam is gepleegd en over schending onschuldpresumptie door handelingen die betrekking hadden op onderdelen van de tll. waarvan verdachte is vrijgesproken redengevend te achten voor de bewezenverklaring. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/00522, 16/00675 en 16/00707.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 november 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1474
  2. Hoge Raad · 23 januari 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:75

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

23 januari 2018

Strafkamer

nr. S 16/00727

SSA/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 januari 2016, nummer 22/002646-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1952.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 1 week, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2018.