Strafrecht overig

Medeplegen poging woninginbraak, art. 311.1 onder 4 en 5 Sr. Klachten m.b.t. bewijs medeplegen en vraag of in…

Zaakgegevens

Op 5 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2018
Datum publicatie
5 juni 2018
Zaaknummer
16/04607
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:824
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen poging woninginbraak, art. 311.1 onder 4 en 5 Sr. Klachten m.b.t. bewijs medeplegen en vraag of in strafmotivering opgenomen, niet bewezenverklaard nachtelijk tijdstip door Hof kon worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 april 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:317
  2. Hoge Raad · 5 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:824

Uitspraak

Inhoudsopgave

5 juni 2018

Strafkamer

nr. S 16/04607

AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 september 2016, nummer 23/003012-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018.