Strafrecht overig

Economische zaak. Het houden van een groter aantal varkens dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, art…

Zaakgegevens

Op 9 juli 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2019
Datum publicatie
8 juli 2019
Zaaknummer
16/03096
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1141
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Economische zaak. Het houden van een groter aantal varkens dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, art. 19 (oud) Meststoffenwet, jo. art. 51 Sr. Bewijsklacht: werden de naar een ‘ander’ bedrijf overgebrachte biggen nog gehouden door het ‘bedrijf’ van de verdachte rechtspersoon? HR: art. 81.1 RO. CAG: art. 80a RO. Samenhang tussen 16/03096 E en 16/03103 E P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 juni 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:747
  2. Hoge Raad · 9 juli 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1141

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 16/03096

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 1 juni 2016, nummer 20/003526-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep in cassatie.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 13.500,-, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad eerst uitspraak kan doen nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde geldboete te verminderen met € 700,-.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 12.800,- bedraagt, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.