Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto onder klaagster in strafzaak tegen klaagsters zus t.z.v. verdenking van…
Hoge Raad, 21 mei 2019
ECLI:NL:HR:2019:766 · Hoge Raad · 21 mei 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-766
Zaakgegevens
Op 21 mei 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 mei 2019
- Datum publicatie
- 20 mei 2019
- Zaaknummer
- 18/00049
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:766
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto onder klaagster in strafzaak tegen klaagsters zus t.z.v. verdenking van diefstal van auto-onderdelen, terwijl auto, die eerst aan zus toebehoorde, tijdens detentie van zus is overgeschreven op naam van klaagster. Verhaalsfrustratie en wetenschap daarvan bij klaagster, art. 94a.4 Sv. Heeft Rb kunnen oordelen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat auto aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel om uitwinning hiervan te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden? HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 maart 2019
ECLI:NL:PHR:2019:532Hoge Raad · 21 mei 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:766
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00049
Datum 21 mei 2019
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 november 2017, nummer RK 17/2111, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: klaagster.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019.