Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv onder klaagster op een hond. Klacht dat een ander niet als redelijkerwijs…

Zaakgegevens

Op 18 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2019
Datum publicatie
18 juni 2019
Zaaknummer
18/01047
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:987
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv onder klaagster op een hond. Klacht dat een ander niet als redelijkerwijs rechthebbende is aan te merken en dat de Rb niet had mogen afwijken van de hoofdregel dat het voorwerp terug moet naar de beslagene, omdat de civielrechtelijke rechtsverhouding niet voldoende duidelijk is geworden. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:395
  2. Hoge Raad · 18 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:987

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01047

Datum 18 juni 2019

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 6 februari 2018, nummer RK 17/4849, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door

door

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de klaagster.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J.L. Baar, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.