Strafrecht overig

Eenvoudige belediging ambtenaar t.z.v. rechtmatige uitoefening van zijn bediening, art. 266.1 jo. 267.2 Sr…

Zaakgegevens

Op 22 januari 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2019
Datum publicatie
21 januari 2019
Zaaknummer
17/06001
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:82
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Eenvoudige belediging ambtenaar t.z.v. rechtmatige uitoefening van zijn bediening, art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Verschillende klachten m.b.t. strafmotivering; o.m. t.a.v. art. 63 Sr, LOVS-oriëntatiepunten, art. 359.5 en art. 359.6 Sv en “verbazingscriterium”. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:10765
  2. Conclusie A-G · 27 november 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1316
  3. Hoge Raad · 22 januari 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:82

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/06001

AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 5 december 2017, nummer 21/000585-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) in het jaar 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.