Strafrecht overig

Opzetheling van lokfiets, art. 416.1.a Sr. 1. Bewijsoverweging opgenomen in aanvulling op verkort arrest. 2…

Zaakgegevens

Op 4 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 juni 2019
Datum publicatie
31 mei 2019
Zaaknummer
17/03983
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:836
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Opzetheling van lokfiets, art. 416.1.a Sr. 1. Bewijsoverweging opgenomen in aanvulling op verkort arrest. 2. Bewijs- en motiveringsklacht wetenschap t.t.v. voorhanden krijgen. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 mei 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:5033
  2. Conclusie A-G · 14 mei 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:458
  3. Hoge Raad · 4 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:836

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03983

Datum 4 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 mei 2017, nummer 21/003594-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2019.