Strafrecht overig
N-o verklaring verdachte in h.b. door bevestiging vonnis n.a.v. verzet tegen strafbeschikking. Artt. 255a.3…
ECLI:NL:HR:2020:120 · Hoge Raad · 4 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2020-120
Zaakgegevens
Op 4 februari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2020
- Datum publicatie
- 23 januari 2020
- Zaaknummer
- 18/01414
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:120
Samenvatting
N-o verklaring verdachte in h.b. door bevestiging vonnis n.a.v. verzet tegen strafbeschikking. Artt. 255a.3, 257e, 257f Sr. Had de Pr zich niet meer over de strafbeschikking moeten uitlaten maar o.b.v. de uitgevaardigde dagvaarding tot een inhoudelijke behandeling moeten overgaan? Hof bevestigde vonnis, o.m. omdat blijkens het p-v van de tz. bij de Pr de verdediging de dagvaarding kennelijk heeft opgevat als oproeping voor behandeling van het verzet van verdachte en de Pr dat heeft gevolgd. De verdediging heeft daar geen beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. Verdachte is volgens het Hof niet in enig belang geschaad, want de behandeling van verdachtes verzet heeft immers plaatsgevonden, al strandde het bij de Pr op het te laat instellen daarvan. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 december 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1303Hoge Raad · 4 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:120
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/01414
Datum 4 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2018, nummer 21/003608-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.