Strafrecht overig

Poging tot zware mishandeling in het verkeer, door toe te rijden op een verkeersregelaar die op de motorkap…

Zaakgegevens

Op 7 januari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 januari 2020
Datum publicatie
7 januari 2020
Zaaknummer
18/05409
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:7
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling in het verkeer, door toe te rijden op een verkeersregelaar die op de motorkap is beland en met aanmerkelijke snelheid een stuk is meegevoerd, art. 302.1 jo. art. 45 Sr. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:2818. Bewijsklachten over het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de daarbij door het Hof gehanteerde algemene ervaringsregels. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 december 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:1250
  2. Hoge Raad · 7 januari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:7

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05409

Datum 7 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 december 2018, nummer 21/001126-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020.