Strafrecht overig

Witwassen van groot geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. 1. Is geldbedrag ‘afkomstig uit enig misdrijf’? 2…

Zaakgegevens

Op 14 december 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 december 2021
Datum publicatie
30 november 2021
Zaaknummer
20/01907
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1802
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Witwassen van groot geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. 1. Is geldbedrag ‘afkomstig uit enig misdrijf’? 2. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. herhaald verzoek tot horen getuigen m.b.t. vermogen van moeder van verdachte. 3. Levert bewezenverklaard feit ‘witwassen’ op?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1033
  2. Hoge Raad · 14 december 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1802

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01907

Datum 14 december 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2020, nummer 22-004274-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 13 maanden en 3 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2021.