Strafrecht overig

Opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416 Sr. Middel over toereikendheid bewijs(overweging) dat verdachte…

Zaakgegevens

Op 25 mei 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 mei 2021
Datum publicatie
10 mei 2021
Zaaknummer
20/00565
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:726
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416 Sr. Middel over toereikendheid bewijs(overweging) dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 maart 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:256
  2. Hoge Raad · 25 mei 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:726

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00565

Datum 25 mei 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 februari 2020, nummer 23-004212-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2021.