Strafrecht overig

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Canadese nationaliteit) naar Australië t.z.v. medeplegen handel in…

Hoge Raad, 7 juni 2022

Zaakgegevens

Op 7 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juni 2022
Datum publicatie
7 juni 2022
Zaaknummer
21/02999
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:846
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Canadese nationaliteit) naar Australië t.z.v. medeplegen handel in verdovende middelen (meermalen gepleegd). 1. Afwijzing aanhoudingsverzoek teneinde navraag te doen bij Taiwanese, Australische, Canadese en Nederlandse autoriteiten m.b.t. betrokkenheid van Australische autoriteiten bij onrechtmatige uitzetting van opgeëiste persoon door Taiwan naar Nederland. 2. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en minister. Kon Rb oordelen dat niet is komen vast te staan dat voor opgeëiste persoon t.z.v. voltooide inbreuk op art. 6.1 EVRM in Australië geen rechtsmiddel open staat?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:434
  2. Hoge Raad · 7 juni 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:846

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02999 U

Datum 7 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2021, nummer [001], op een verzoek van het Gemenebest van Australië tot uitlevering

van

[de opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2022.