Strafrecht overig
Medeplegen verkrachting (art. 242 Sr) en diefstal (art. 310 Sr). 1. Onvolkomenheid bij beëdiging van AG die…
ECLI:NL:HR:2023:79 · Hoge Raad · 24 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2023-79
Zaakgegevens
Op 24 januari 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 januari 2023
- Datum publicatie
- 20 januari 2023
- Zaaknummer
- 21/01947
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:79
Samenvatting
Medeplegen verkrachting (art. 242 Sr) en diefstal (art. 310 Sr). 1. Onvolkomenheid bij beëdiging van AG die bij behandeling van zaak in hoger beroep betrokken is geweest, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. 2. Kon hof vonnis Rb deels bevestigen, nu p-v van onderzoek ttz. in eerste aanleg ontbreekt? 3. Betrouwbaarheid verklaring van aangeefster en bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 24 maanden), redelijke termijn in e.a. Kon hof volstaan met strafkorting van 6 maanden?
Ad 1. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking.
Ad 2., 3. en 4. HR: art. 81 RO.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 29 april 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:3276Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 november 2022
ECLI:NL:PHR:2022:1104Hoge Raad · 24 januari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:79
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01947
Datum 24 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 april 2021, nummer 20-001060-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Namens de verdachte heeft S.W.M. Stevens, advocaat te 's-Gravenhage, na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn, bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van de advocaatgeneraal die bij de behandeling van de zaak in hoger beroep betrokken is geweest, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2023.