Strafrecht overig

Gewoonte maken van bezit van aanzienlijke hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en video's, art…

Hoge Raad, 9 juli 2024

Zaakgegevens

Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2024
Datum publicatie
10 juli 2024
Zaaknummer
22/02749
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1055
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gewoonte maken van bezit van aanzienlijke hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en video's, art 240b.2 Sr. 1. Onttrekking aan het verkeer van usb-stick, art. 36b.1.3 Sr. 2. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van resultaten van onderzoek aan laptop van verdachte op de grond dat dit onderzoek onrechtmatig is, nu toestemming van OvJ daarvoor onvoldoende grondslag biedt.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:742
  2. Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1055

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02749

Datum 9 juli 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2022, nummer 21-004789-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.