Strafrecht overig

Eendaadse samenloop van medeplegen mishandeling (art. 300.1 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr)…

Hoge Raad, 17 september 2024

Zaakgegevens

Op 17 september 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 september 2024
Datum publicatie
12 september 2024
Zaaknummer
22/02721
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1162
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eendaadse samenloop van medeplegen mishandeling (art. 300.1 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) door aangeefster vast te pakken en vast te houden, op haar hoofd, gezicht en lichaam te slaan, en tegen haar lichaam te schoppen. Vordering benadeelde partij, schadevergoedingsmaatregel en eigen schuld b.p. Heeft hof verzuimd toepassing te geven aan art. 6:101.1 BW en onderscheid tussen “primaire maatstaf” en “billijkheidscorrectie” miskend?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02829.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 20 juli 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:1665
  2. Conclusie A-G · 2 juli 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:690
  3. Hoge Raad · 17 september 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1162

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02721

Datum 17 september 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 juli 2022, nummer 22-002166-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2024.