Strafrecht overig

Medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheid waterpijptabak waarover geen accijns is betaald, art. 5.1B…

Hoge Raad, 17 december 2024

Zaakgegevens

Op 17 december 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 december 2024
Datum publicatie
11 december 2024
Zaaknummer
22/02462
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1848
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheid waterpijptabak waarover geen accijns is betaald, art. 5.1B Wet op accijns. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Betekening oproeping in hoger beroep, art. 36e.3 Sv. 2. Is veroordeling in strijd is met art. 14.5 IVBPR, nu verdachte voor het eerst in h.b. is veroordeeld, terwijl feitelijke herbeoordeling van schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is?

HR: art. 81.1 RO. CAG gaat in op ontvankelijkheid cassatieberoep (art. 432.2 Sv).

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 mei 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:5075
  2. Conclusie A-G · 12 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1219
  3. Hoge Raad · 17 december 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1848

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02462

Datum 17 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2022, nummer 21-002089-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.