Strafrecht overig

Drie woninginbraken, art. 311.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. alternatief scenario. Heeft…

Zaakgegevens

Op 16 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 april 2024
Datum publicatie
15 april 2024
Zaaknummer
21/04673
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:598
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Drie woninginbraken, art. 311.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. alternatief scenario. Heeft hof toereikend gemotiveerd beslist op uos dat inbraken door een ander zijn gepleegd, die DNA van verdachte doelbewust heeft achtergelaten om aandacht van zichzelf af te leiden? 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof schoonmaakkosten en kosten voor weggenomen en beschadigde goederen aanmerken als rechtstreekse schade? 3. Aanhoudingsverzoek door gemachtigde raadsman ttz. in hoger beroep op de grond dat hij geen idee heeft waar verdachte is, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 2 november 2021

    ECLI:NL:GHAMS:2021:3304
  2. Conclusie A-G · 5 maart 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:237
  3. Hoge Raad · 16 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:598

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04673

Datum 16 april 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nummer 23-002540-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.