Strafrecht overig

Ontucht met 14-jarige/15-jarig meisje binnen relatie door 19-jarige verdachte (art. 247 Sr). Vrijspraak in…

Hoge Raad, 21 mei 2024

Zaakgegevens

Op 21 mei 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 mei 2024
Datum publicatie
24 april 2024
Zaaknummer
22/02211
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:662
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontucht met 14-jarige/15-jarig meisje binnen relatie door 19-jarige verdachte (art. 247 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Schriftuur benadeelde partij, reiskosten. Kon hof oordelen dat opgevoerde reiskosten voor bezoeken aan politie t.b.v. afleggen van getuigenverklaring en voor gesprekken met OvJ en advocaat niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door strafbaar feit en ook niet toewijsbaar zijn als proceskosten?

Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Verklaring van getuige (vriendin van aangeefster) m.b.t. waargenomen emoties van aangeefster en verklaring van GZ-psycholoog m.b.t. door aangeefster gepresenteerde traumabeelden bieden steun aan verklaring van aangeefster dat zij door verdachte is misbruikt. Ook verklaringen van verdachte en moeder van aangeefster zijn redengevend voor bewijs. Voorts heeft hof uitgebreid gemotiveerd waarom het verklaring van aangeefster betrouwbaar acht. Gelet hierop heeft hof zijn oordeel dat verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR: art. 81.1 RO.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 juni 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:4540
  2. Conclusie A-G · 12 maart 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:280
  3. Hoge Raad · 21 mei 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:662

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02211

Datum 21 mei 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2022, nummer 21-002907-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.E.M.C. Koudijs, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

Namens de benadeelde partij E. Bos heeft C.H. Dijkstra, advocaat in Amersfoort, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.

2.2

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 en 3.

3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2024.