Strafrecht overig

Deelneming aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met handel in hennep, art. 11a.1…

Zaakgegevens

Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2024
Datum publicatie
20 juni 2024
Zaaknummer
22/02047
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:930
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Deelneming aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met handel in hennep, art. 11a.1 (oud) Opiumwet. 1. Post-Keskin. Afwijzing (bij tussenarrest) van bij appelschriftuur gedane, ttz. in hoger beroep gehandhaafde verzoeken tot het horen van getuigen (verbalisant en tolken) op de grond dat onvoldoende is onderbouwd waarom getwijfeld moet worden aan inhoud van uitgewerkte tap- en OVC-gesprekken. 2. Bewijsklacht. Heeft hof voldoende gerespondeerd op verweer dat criminele organisatie (voornamelijk) een familieverband betreft? 3. Bewijsklacht. Kon hof het uitblijven van verklaring van verdachte gebruiken voor bewijs?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:598
  2. Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:930

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02047

Datum 9 juli 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2022, nummer 21-007450-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en een week beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.