Strafrecht overig

Medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), medeplegen opzettelijke uitvoer van…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
13 februari 2025
Zaaknummer
23/02435
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:253
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), medeplegen opzettelijke uitvoer van cocaïne naar Ierland en van amfetamine, heroïne en cocaïne naar Noorwegen (art. 2.A Opiumwet), medeplegen opzettelijke uitvoer van hasjiesj en hennep naar Noorwegen (art. 3.A Opiumwet), (medeplegen) gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en eendaadse samenloop van als leider deelnemen aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met drugshandel (art. 11b.1 Opiumwet) en plegen van (andere) misdrijven (art. 140.4 Sr). 1. Heeft hof, door niet te wijzen op verschillen in nummering van beschikbare dossiers, verdediging onvoldoende mogelijkheid geboden haar standpunten degelijk te onderbouwen en vervolgens bij arrest blijk gegeven van vooringenomenheid jegens verdachte? 2. Uitvoer a.b.i. art. 1.5 Opiumwet. Heeft hof begrip ‘buiten het grondgebied brengen’ a.b.i. art. 2.A en 3.A Opiumwet te ruim uitgelegd? 3. Bewijsklacht uitvoer van cocaïne naar Ierland. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid uitlatingen medeverdachte in OVC-gesprek, art. 359.2 Sv. 4. Bewijsklacht gewoontewitwassen. Uos m.b.t. verificatieonderzoek naar legale herkomst van gelden en naar hoogte van contante uitgaven, art. 359.2 Sv. 5. Onttrekking aan het verkeer van 2 telefoons, art. 36c.3 Sr.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02440, 23/02488 P en 23/02489 en met 23/02438 P en 23/02441 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 16 juni 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1431
  2. Conclusie A-G · 28 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:102
  3. Hoge Raad · 18 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:253

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02435

Datum 18 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2023, nummer 23-001323-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F. Visser, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en drie maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.