Strafrecht overig

Moord door in 2019 in Amsterdam 18 keer met vleesmes in lichaam van zijn echtgenote te steken, art. 289 Sr…

Hoge Raad, 1 april 2025

Zaakgegevens

Op 1 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 april 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Zaaknummer
23/02358
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:497
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moord door in 2019 in Amsterdam 18 keer met vleesmes in lichaam van zijn echtgenote te steken, art. 289 Sr. TBS met dwangverpleging opgelegd. 1. Bewijsklacht voorbedachte raad. 2. Motivering oplegging TBS-maatregel, art. 37a.1 en 37b.1 Sr. Heeft hof de oplegging van TBS met dwangverpleging toereikend gemotiveerd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 8 juni 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1327
  2. Conclusie A-G · 21 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:82
  3. Hoge Raad · 1 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:497

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02358

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juni 2023, nummer 23-000419-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijftien jaren en zeven maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.