Strafrecht overig
Economische zaak. Op grond gooien en achterlaten van papieren zakdoek (art. 18.1 (oud)…
ECLI:NL:HR:2025:514 · Hoge Raad · 8 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-514
Zaakgegevens
Op 8 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2025
- Datum publicatie
- 3 april 2025
- Zaaknummer
- 22/04713
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:514
Samenvatting
Economische zaak. Op grond gooien en achterlaten van papieren zakdoek (art. 18.1 (oud) Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 jo. 10.23.1 (oud) Wet milieubeheer). Post-Keskin. Gebruik voor bewijs van p-v van verbalisant die verdediging niet heeft kunnen ondervragen, terwijl verbalisant wel in aanvullend p-v schriftelijke vragen van verdediging heeft beantwoord. Voldoet procedure in haar geheel aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces?
HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2024:1772 (tussenarrest). Samenhang met 22/04708 en 22/04709 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 oktober 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1316Hoge Raad · 3 december 2024
ECLI:NL:HR:2024:1772Gerechtshof Amsterdam · 5 december 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:3351Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 januari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:348Hoge Raad · 8 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:514
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04713 E
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 13 december 2022, nummer 23-004418-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Verder procesverloop in cassatie
De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1771, geoordeeld dat het cassatieberoep van de verdachte ontvankelijk is. Bij dat arrest is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aanvullende cassatiemiddel.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.