Strafrecht overig

Oplichting, art. 326.1 Sr. 1. Inhoud p-v van tz. in hoger beroep. Blijkt uit p-v van tz. in h.b. dat door…

Zaakgegevens

Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
14 april 2025
Zaaknummer
23/00178
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:588
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oplichting, art. 326.1 Sr. 1. Inhoud p-v van tz. in hoger beroep. Blijkt uit p-v van tz. in h.b. dat door verdediging is gepleit, althans hoe eventueel verweer van verdediging heeft geluid en/of pleitnota is overgelegd? 2. Bewijsklachten aannemen van valse hoedanigheid, samenweefsel van verdichtsels en causaal verband.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 januari 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:1996
  2. Conclusie A-G · 25 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:366
  3. Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:588

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00178

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 januari 2023, nummer 20-000904-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.W.L.A.M. Koppen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.