Strafrecht overig

Opzettelijk invoeren van 4 kilogram cocaïne vanuit Suriname (art. 2.A Opiumwet). 1. Verweer strekkende tot…

Hoge Raad, 27 mei 2025

Zaakgegevens

Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 mei 2025
Datum publicatie
22 mei 2025
Zaaknummer
22/04919
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:799
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk invoeren van 4 kilogram cocaïne vanuit Suriname (art. 2.A Opiumwet). 1. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van verhoor van verdachte bij koninklijke marechaussee omdat sprake is van onherstelbaar vormverzuim, nu verhoor is afgenomen buiten aanwezigheid van advocaat en niet auditief is geregistreerd, art. 359a Sv. 2. Bewijsklacht cocaïne. Kon hof oordelen dat, nu chemisch deskundigenrapport ontbreekt, ingevoerde substantie cocaïne betrof?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 27 december 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3715
  2. Conclusie A-G · 22 april 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:444
  3. Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:799

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04919

Datum 27 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 december 2022, nummer 23-002096-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.