Strafrecht overig

Medeplegen vernieling van slagboom bij parkeerplaats, art. 350.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk…

Zaakgegevens

Op 10 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2025
Datum publicatie
6 juni 2025
Zaaknummer
23/00114
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:885
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen vernieling van slagboom bij parkeerplaats, art. 350.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. voorwaardelijk opzet op vernielen van slagboom, art. 359.2 Sv. 2. P-v als kenbron van verhandelde ttz. Nietigheid onderzoek ttz., nu p-v van tz. in hoger beroep niet tijdig is opgemaakt, vastgesteld en ondertekend?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 1 april 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:372
  2. Hoge Raad · 10 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:885

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00114

Datum 10 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2023, nummer 21-005571-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.