Strafrecht overig

Diefstal, art. 310 Sr en mishandeling (van ambtenaar), art. 300.1 jo. 304.1.3 Sr. Hof heeft verdachte, die…

Hoge Raad, 27 januari 2026

Zaakgegevens

Op 27 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
Zaaknummer
24/01806
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:117
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Diefstal, art. 310 Sr en mishandeling (van ambtenaar), art. 300.1 jo. 304.1.3 Sr. Hof heeft verdachte, die niet werd bijgestaan door raadsman, n-o verklaard in haar hoger beroep omdat ttz. Pr afstand is gedaan van rechtsmiddelen. Afstand van rechtsmiddel, art. 381.1 Sv. Kon hof oordelen dat aangevoerde door verdediging dat verdachte geen afstand heeft gedaan van h.b. dan wel niet heeft begrepen dat zij dat deed, geen bijzondere omstandigheden oplevert waardoor niet rechtsgeldig afstand is gedaan van h.b.?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 24 april 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:2917
  2. Conclusie A-G · 18 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1258
  3. Hoge Raad · 27 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:117

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01806

Datum 27 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 april 2024, nummer 22-002791-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. van Gestel bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.