Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijke invoer van grote hoeveelheid hennep (ongeveer 125 kilogram) vanuit Spanje (art. 3.A…

Hoge Raad, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
14 augustus 2026
Zaaknummer
24/02883
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1348
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen opzettelijke invoer van grote hoeveelheid hennep (ongeveer 125 kilogram) vanuit Spanje (art. 3.A jo. 11.4 en 11.5 Opiumwet) en medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 120.250) (art. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht invoer van hennep t.a.v. opzet. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte wist dat verdovende middelen vanuit Spanje binnen grondgebied van Nederland zijn gebracht? 2. Kwalificatieklacht witwassen, beroep op kwalificatie-uitsluitingsgrond. Kon hof het bewezenverklaarde kwalificeren als witwassen, nu geldbedrag, dat verdachte heeft verworven en voorhanden heeft gehad, onmiddellijke opbrengst vormde van (mede) door hem zelf begaan misdrijf?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 juli 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2557
  2. Conclusie A-G · 7 juli 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:752
  3. Hoge Raad · 18 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1348

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02883

Datum 18 augustus 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 juli 2024, nummer 20-001296-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.