Strafrecht overig
Medeplegen bewerken van cocaïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie…
Hoge Raad, 29 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1538 · Hoge Raad · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1538
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- 24/01771
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1538
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen bewerken van cocaïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van cocaïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen aanwezig hebben van 72,9 kilogram cocaïne (art. 2.C Opiumwet). 1. Afwijzing van verzoek tot horen van een ttz. meegebrachte getuige, op de grond dat noodzaak daartoe ontbreekt. Is afwijzing begrijpelijk? 2. Bewijsklacht t.a.v. bewezenverklaarde periode.
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01770.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 mei 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2089Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:816Hoge Raad · 29 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1538
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01771
Datum 29 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 mei 2024, nummer 20-002810-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 60 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 57 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.