Strafrecht overig

Conclusie AG. Bewerken, voorbereidingshandelingen en bezit cocaïne (art. 2, 10 en 10a Opiumwet). M1 over…

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
27 augustus 2026
Zaaknummer
24/01771
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:816
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Bewerken, voorbereidingshandelingen en bezit cocaïne (art. 2, 10 en 10a Opiumwet). M1 over maatstaf beoordelen horen meegebrachte getuige. M2 over bewezenverklaarde periode. Beide middelen kunnen niet tot cassatie leiden (81 RO). Samenhang met 24/01770.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 mei 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2089
  2. Conclusie A-G · 1 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:816

  3. Hoge Raad · 29 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1538

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01771

Zitting 1 september 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002810-20) wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.", 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” en 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.”, veroordeeld tot zestig maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de teruggave aan de verdachte van een inbeslaggenomen geldbedrag gelast.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/01770 en 25/04068. In de zaak 24/01770 zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht klaagt over de afwijzing van het verzoek om een (meegebrachte) getuige te horen. De tweede deelklacht bevat een bewijsklacht ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde.

2.2

De eerste deelklacht komt op tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van de ter terechtzitting meegebrachte getuige [getuige 1] en bevat de klacht dat het hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

2.3

Op de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 is namens de verdachte het verzoek gedaan om de (meegebrachte) getuige [getuige 1] te horen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:

“De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier als nieuwe stukken heeft aangetroffen:

(…)

- een e-mailbericht van de raadsvrouw d.d. 11 april 2024, waarin onder meer wordt verzocht over te gaan tot het horen van (…), alsmede tot het horen van de getuigen die zich thans buiten de zittingzaal bevinden.

De raadsvrouw geeft als volgt te kennen:

Voorafgaand aan de zitting van vandaag heb ik stukken verstrekt ten aan aanzien van bezoeken door en behandelingen van mijn cliënt bij de fysiotherapeut. Ik heb de fysiotherapeut en de behandelaar gevraagd zelf een verklaring op te stellen omtrent de behandelingen die mijn cliënt daar heeft gehad. Mocht het hof de verklaringen onvoldoende vinden om vast te stellen dat deze behandelingen hebben plaatsgevonden, verzoek ik de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris om de behandelaar en de eigenaar van de praktijk te horen. Ik heb vandaag twee getuigen meegenomen, de oom en het broertje van mijn cliënt, die kunnen verklaren in welke periode mijn cliënt bij de fysiotherapeut onder behandeling was. Zijn broertje kan tevens verklaren over de periode dat mijn cliënt bij hem verbleef. Ten aanzien van het horen van deze twee getuigen geldt het verdedigingsbelang.

De advocaat-generaal geeft als volgt te kennen:

Bij het e-mailbericht van de raadsvrouw d.d. 11 april 2024 is als bijlage een brief van het OLVG gevoegd d.d. 9 februari 2021. Deze brief is echter niet geadresseerd aan iemand. Een andere brief d.d. 25 oktober 2019 van het OLVG is wel aan de verdachte geadresseerd. De in de brieven genoemde afspraakbevestigingen zijn echter niet relevant voor de tenlastegelegde pleegperiode. Naast deze brieven bevindt zich tussen de stukken een overzicht van data van behandelingen bij de fysiotherapeut, vergezeld met een opmerking van [getuige 2] dat de verdachte op die betreffende momenten is behandeld. In de procedure is echter niet eerder gesproken over behandelingen bij de fysiotherapeut en over een mogelijk alibi. De verdachte heeft eerst een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en later heeft hij verklaard dat hij dacht dat hij slechts wietafval ging ophalen. Op die momenten heeft de verdachte niets verklaard over behandelingen bij de fysiotherapeut. Ook bij de behandeling van de zaak bij de raadkamer heeft hij daar niets over verklaard. Het is ongeloofwaardig dat van de zijde van de verdachte nu nog de betreffende brieven in het geding worden gebracht. Mogelijk heeft de verdachte toezicht gehouden in de loods, zoals uit de telefoonberichten in het dossier kan worden verondersteld en was hij, hoewel hij naar zijn afspraken ging, alsnog betrokken bij hetgeen in de loods plaatsvond. In dit stadium zeggen de betreffende brieven eigenlijk niets en daarmee is het onvoldoende om te zeggen dat er sprake is van een begin van aannemelijkheid dat de behandelingen hebben plaatsgevonden. Ik acht het derhalve niet nodig om de zitting aan te houden en de getuigen te horen bij de raadsheer-commissaris

De raadsvrouw reageert als volgt:

De reactie van het Openbaar Ministerie geeft aanleiding om de zaak aan te houden. De advocaat-generaal betwist de verklaring van mijn cliënt en stelt dat hij mogelijk valse documenten heeft gebruikt om een alibi te creëren. Mijn cliënt probeert, wellicht te laat in de ogen van de advocaat-generaal, zijn onschuld aan te tonen. In eerste aanleg is onvoldoende werk verricht om zijn alibi te onderbouwen. Dit kan niet alleen aan mijn cliënt worden verweten. Daarenboven zegt de advocaat-generaal dat, al zouden de behandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode, dat nog niets zegt over de betrokkenheid van mijn cliënt bij de bewerking van verdovende middelen. Dat standpunt volg ik niet. Uit de berichten in het dossier volgt namelijk dat niemand weg kon uit de loods. Ik acht het van belang dat het alibi van mijn cliënt nader wordt onderzocht. De behandelaar en de fysiotherapeut kunnen, onder ede, bevestigen dat mijn cliënt de behandelingen heeft ondergaan

De advocaat-generaal deelt als volgt mede:

Een behandeling bij de fysiotherapeut kan binnen een halfuur plaatsvinden. De verdachte kan derhalve alsnog nog steeds betrokken zijn geweest bij hetgeen in de loods in [plaats] plaatsvond. Wat mij betreft blijkt uit de berichten van de medeverdachte dat er in de loods ook toezicht werd gehouden en dat de toezichthouder in en uit de loods ging.

(…)

De oudste raadsheer vraagt of zij het goed heeft begrepen dat, indien het hof de inhoud van de door de raadsvrouw verstrekte verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet geloofd, het verzoek van de verdediging luidt de zitting aan te houden teneinde de behandelaar en de fysiotherapeut bij de raadsheer-commissaris als getuige te horen.

De raadsvrouw beantwoordt de vraag bevestigend.

De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt als beslissing van het hof mede:

Het hof neemt aan dat de behandelingen bij de fysiotherapeut zoals gesteld hebben plaatsgevonden. Derhalve is het niet noodzakelijk de eigenaar en fysiotherapeut als getuige te horen. Met betrekking tot de getuigen die door de verdediging heden ter zitting zijn meegebracht is het, naar het oordeel van het hof, niet noodzakelijk om de oom van de verdachte ( [getuige 1] ) te horen, aangezien het gaat over hetzelfde onderwerp, te weten verdachtes behandelingen bij de fysiotherapeut. De verdediging heeft ten aanzien van de jongere broer van de verdachte naar voren gebracht dat hij kan verklaren over het verblijf van de verdachte omstreeks de tenlastegelegde periode. Dat verhoor wordt toegestaan.”

2.4

Het verzoek tot het horen van een meegebrachte getuige kan slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 415 jo. 288 lid 1 onder b en c Sv. Dat betekent dat de beoordeling van het getuigenverzoek dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang. Het hof heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is deze getuige te horen. Daarmee heeft het hof de verkeerde maatstaf aangelegd. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

2.5

Tot cassatie leidt dit echter niet. De enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, levert niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. In gevallen waarin dat belang niet evident is, mag van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht.

2.6

Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] is door de verdediging gedaan ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen een behandeling van een fysiotherapeut onderging. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek om deze getuige te horen ten grondslag gelegd dat het ervan uitgaat dat de behandelingen bij de fysiotherapeut hebben plaatsgevonden. Daarmee ligt in de motivering van het hof besloten dat het horen van de getuige overbodig is, nu het hof uitgaat van hetgeen waarover de getuige volgens de verdediging zou kunnen verklaren. Daarmee heeft het hof in wezen toepassing gegeven aan het verdedigingscriterium. Om die reden zie ik niet in wat voor de verdachte het belang bij cassatie zou zijn, terwijl in de cassatieschriftuur ten aanzien van het belang niets wordt gesteld.

2.7

De eerste deelklacht leidt niet tot cassatie.

2.8

De tweede deelklacht komt op tegen de bewezenverklaarde periode van feit 1, 2 en 3.

2.9

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet;

2. hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het delict, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een (grote) hoeveelheid verpakkingen met daarin (grote) hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder benzine en ethylacetaat en aceton en zoutzuur en zwavelzuur, en

- onderdelen van een productieopstellingen voorhanden gehad, waaronder magnetrons en metalen logo’s;

3. hij op 18 november 2019 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal ongeveer 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

2.10

De bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2019 (p. 234-235), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Vandaag 18 november 2019 had ik dienst met collega [verbalisant 2] . Omstreeks 17.45 uur kregen wij van het operationeel centrum Middelburg een melding te gaan naar de [a-straat 1] (het hof begrijpt: [...]) in [plaats] . Aldaar werd een vreemde lucht geroken uit het riool op straat. Ter plaatse zag ik dat de brandweer reeds met twee voertuigen ter plaatse was. Ook zag ik verschillende personen van de handhaving gemeente [...] tezamen met de AOV’er [betrokkene 1] . Zij stonden allemaal op het terrein van het tankstation 'Berkman'. Vanaf de [a-straat] gezien met het gezicht naar het tankstation bevond zich rechts naast dat tankstation een metalen hek. Achter dit hek bevond zich een loods met perceelnummer [1] (het hof begrijpt: [...]). Dit hek was afgesloten middels een kettingslot. Achter dit hek staande kijkende naar die loods was een roldeur te zien. Rechts van deze roldeur was een bakstenen uitbouw te zien waar enkele ramen en twee kunststof deuren in zaten. De AOV’er vertelde ons dat er vandaag weer een melding van een bewoner in de [a-straat] was geweest dat die een benzinelucht rook die uit het riool leek te komen. Ongeveer twee weken geleden was zo een melding ook al gedaan. Hij vertelde mij dat de brandweer het riool op straat ter hoogte van het tankstation had geopend en daar direct een hele penetrante lucht uit rook. Deze lucht rook sterk naar benzine. Toen ik in de put keek, rook ik dit ook direct. De brandweer had uitgezocht welke panden zaten aangesloten op dit riool. Dit waren er drie. Het tankstation, de sportschool en het pand met huisnummer [1] (het hof begrijpt: [...]). De sportschool was niets mee aan de hand en het tankstation hadden ze door een expert laten onderzoeken, Ook hier was niets mee aan de hand en technisch in orde. Hierdoor bleef de loods met pandnummer [1] (het hof begrijpt: [...]) over.

Om 18.21 uur verbrak de brandweer het kettingslot waarmee het hek was afgesloten, middels een hydrologische nijptang,

Om 18.24 uur werd door ons, de gemeente en de brandweer het terrein betreden. Door een brandweerman werd een vluchtige stof gemeten bij een beluchtingsrooster rechts naast de roldeur. De lucht uit het riool was ook een vluchtige stof.

De brandweer probeerde een kunststof deur in de uitbouw te forceren zonder het produceren van vonken. Dit lukte niet.

Om 18.58 uur werd er door de brandweer een houten deur geopend die zich links naast de roldeur bevond. Dit lukte, echter zat er een houten wandje achter. Toen dit wandje werd ingetrapt, zag ik een ruimte waarin verschillende kunststof vaten stonden met daarin een bruine substantie. Ik stond op veilige afstand, maar ook daar rook ik direct weer die benzinelucht. Toen de brandweer uit de loods ging hadden ze de houten plaat terug van binnenuit tegen de deuropening gezet, en de houten deur dicht geduwd.

Omstreeks 20:45 uur hoorde ik een collega roepen dat er meerdere verdachten weg renden vanaf het terrein met huisnummer [...] de openbare weg op. Dit bleken uit eindelijk zes verdachten te zijn. Hiervan hielden ik samen met collega [verbalisant 3] (het hof begrijpt: [...]) er drie aan in de voortuin rechts naast te woning met huisnummer [...] . Achter deze woning bevond zich de betreffende loods. Ik zag dat alle ramen van de woning waren afgesloten middels rolluiken. De voordeur van de woning was afgesloten voor en na de aanhoudingen. Toen ik later naar de houten deur van de loods liep die de brandweer had geopend, zag ik dat die op een kier stond. Toen ik die voorzichtig opende zag ik dat die houten plaat nu grotendeels naar rechts open stond. Hieruit kon ik opmaken dat de verdachten zich waarschijnlijk in de loods bevonden en via deze deur naar buiten waren gevlucht.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2019 (p. 63), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 18 november 2019 was ik aanwezig in de omgeving van het adres [a-straat 1] (het hof begrijpt: [...]) te [plaats] . Plotseling hoorde ik dat er werd geroepen. Ik hoorde niet precies wat er werd gezegd, maar ik zag dat er op dat moment een persoon kwam aanrennen welke door een brandweerman werd tegengehouden. Direct daarna hoorde ik over de portofoon dat er personen vanaf de plaats delict waren weggerend. Ik ben vervolgens terstond naar de brandweerman gerend die een persoon onder controle hield. Ik heb deze persoon vervolgens aangehouden. De plaats van aanhouding was op het terrein van het tankstation Berkman. Later bleek mij dat deze verdachte [verdachte] was genaamd. Omdat er op dat moment door collega's ter plaatse nog 5 andere aanhoudingen werden verricht, moest ik met de aangehouden verdachte ter plaatse wachten op transport. Gedurende dit wachten viel me op dat de kleding van de verdachte (het hof begrijpt: [verdachte]) erg stonk. Ik vond het een chemische lucht, een beetje gelijkend op de lucht van benzine.

(…)

12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2020 (p. 792-803), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

In verband met de onderzochte feiten, in onderhavig onderzoek, was in proces-verbaal, voorzien van nummer 93, al een uiteenzetting gemaakt van de aangetroffen bijzonderheden in de telefoon, welke in beslag was genomen onder verdachte [medeverdachte 1] . In deze telefoon werden tevens een tweetal relevante WhatsApp chats aangetroffen. Deze chats waren allen in de Spaanse taal en werden, na te zijn veilig gesteld, vertaald door een beëdigd tolk/vertaler.

groen (zeer vermoedelijk verdachte [medeverdachte 1] .)

blauw + dikgedrukt (zeer vermoedelijk de vriendin/vrouw van verdachte [medeverdachte 1] )

Groen 2-11 -2019 00:00:03

Bb ik lig op bed ben kapot

Groen 2-11-2019 00:00:21

Morgen vroeg op en weer bikkelen

Groen 2-11-2019 00:00:48

Goed liefje. Godzijdank zijn we inmiddels begonnen met werken

Groen 3-11-2019 22:23:55

Hier met 10 man op de grond

Groen 3-11-2019 22:24:00

Allemaal op de grond

Blauw 3-11-20 19 22:24:25

Jee heftig en maken jullie een beetje lol bb

Groen 3-11-2019 22:24:44

Nee schat je mag hier geen herrie maken

Groen 3-11-201922:25:07

Het is allemaal heel strak georganiseerd

Groen 7-11-2019 21:52:43

Zeker schat we zijn nog niet eens op de helft maar gisteren zijn er drie mensen extra gebracht om te helpen en er komen een paar machines zodat het sneller gaat

Groen 12-11-2019

Schat je mag hier niet eens wap gebruiken. Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier

Ik ben hier elke ochtend om 6 of 7 uur op en aan het werk om een klus af te maken die op een nachtmerrie begon uit te lopen

Groen 14-11-2019

Schat wij komen niet buiten je weet toch dat we op de werkplaats slapen

Groen 15-11-2019

Hier waar wij zitten hebben we sinds onze aankomst geen daglicht gezien

De mensen hier trekken het ook bijna niet meer

Gisteren waren we 2 weken hier

Sinds we begonnen met werken

Groen 18-11-2019

Schat de politie is er

Politie staat buiten

Er is geen uitweg schat

We zitten binnen en buiten de brandweer en de politie.”

2.11

Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer de volgende bewijsoverwegingen opgenomen (met weglating van voetnoten):

“Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweer van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van de aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - het navolgende aangevoerd.

De verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de cocaïnewasserij. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte over zijn aanwezigheid in de loods verklaard, welke verklaring niet wordt weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier. De verdachte heeft verklaard dat hij aan de [a-straat 1] te [plaats] was om wietafval te storten. Op 18 november 2019 werd hij door een kennis in [plaats] in een klein minibusje opgehaald en aan het eind van de middag kwamen ze aan bij de loods in [plaats] . Daar hebben zij samen vuilniszakken die in de loods stonden ingeladen. Deze vuilniszakken waren nat en vies, zodat de verdachte handschoenen kreeg aangereikt. De verdachte zou € 500,00 vooraf krijgen en daarna nog eens € 500,00, De kennis van de verdachte reed op enig moment weg naar de stortplaats, terwijl de verdachte achterbleef om de andere vuilniszakken bij de deur van de loods neer te leggen zoals te zien is op pagina 358 van het dossier (afbeelding 10). Op enig moment brak er paniek uit in het pand. Het licht ging uit en de verdachte hoorde ‘police, police’. Vervolgens heeft de verdachte twee uur in een donkere ruimte staan wachten.

Verdachtes verklaring vindt steun in een verklaring van een getuige die op 18 november 2019 een grijs busje heeft zien rijden. Bovendien is er tweemaal eerder, in 2013 en in 2018, een hennepkwekerij aangetroffen in het pand gelegen aan de [a-straat 1] . Daarnaast heeft de verdachte - na een ongeval op 23 juli 2019 - fysiotherapiebehandelingen gevolgd in de periode tussen 21 oktober 2019 en 14 november 2019. Ook lijdt de verdachte aan de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa waardoor hij in uiterst schone omstandigheden moet leven om infectiegevaar te voorkomen. Gelet hierop heeft hij in de periode voorafgaand aan, tijdens en ook na de tenlastegelegde periode voortdurend ziekenhuisbezoeken en behandelingen bij de fysiotherapeut in [plaats] gehad. Dit vormt een contra-indicatie voor een voortdurende aanwezigheid van de verdachte bij de loods.

Het dossier bevat ook geen bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte als pleger danwel medepleger bij het bewerken van harddrugs alsmede het treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het bewerken van harddrugs. Uit verdachtes verklaring blijkt niet dat hij ontkent dat hij op 18 november 2019 in de loods is geweest. Hij ontkent echter wel dat hij in die loods verbleef en dat hij daar eerder dan 18 november 2019 überhaupt is geweest. In dit verband wordt opgemerkt dat er geen DNA-sporen of andere sporen van de verdachte zijn aangetroffen op de in de loods aangetroffen matrassen, dan wel op andere goederen die het verblijf van de verdachte in de loods zouden aantonen. Juist de aanwezigheid van andere verdachten en het DNA van deze personen dat op goederen in de loods is aangetroffen, maakt dat niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte betrokken moet zijn geweest bij de cocaïnewasserij.

(…)

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de gebeurtenissen op 18 november 2019 stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 18 november 2019 omstreeks 14.00 uur (p. 39) ontving de brandweer een melding over stankoverlast bij een woning aan de [a-straat] 209 [ik begrijp: [...] : MvW] te [plaats] . Ongeveer twee weken eerder (het hof begrijpt: op of omstreeks 4 november 2019) was ook al een, dergelijke melding gedaan. De lucht bleek uit een put van de riolering te komen. Bij het openen van de rioolput, rook de brandweer een benzinelucht. Na een buurtonderzoek werden twee van de drie op de rioolput aangesloten panden (een sportschool en het tankstation) uitgesloten als veroorzaker(s) van de geroken benzinelucht. Het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] bleef over. Hierop is besloten om het perceel en de daarop gevestigde panden aan een nadere inspectie te onderwerpen. Om 18.21 uur werd het perceel betreden door de brandweer tezamen met ambtenaren van de gemeente en de politie, Teneinde toegang tot het perceel te krijgen wérd het kettingslot van een hek opengeknipt. Vervolgens werd om 18.58 uur een houten deur, links van de roldeur die toegang gaf tot de loods, geopend. Nadat een houten wandje dat achter de deur bleek te staan was ingetrapt, werden in een ruimte verschillende kunststof vaten met daarin een bruine substantie aangetroffen. Voorts blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat het in die ruimte naar benzine rook. In afwachting van nader onderzoek door het gespecialiseerde team op het terrein van drugslabs en de forensische opsporing, werd de houten plaat teruggeplaatst en de houten deur weer afgesloten. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat vervolgens op 18 november 2019, omstreeks 20.45 uur, vanaf het perceel [...] plotseling meerdere personen wegrenden. Al deze personen zijn kort daarna in de directe omgeving van de loods aangehouden. Deze personen bleken te zijn de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . [verdachte] en [medeverdachte 1] waren over het hek geklommen en werden ter hoogte van het tankstation aangehouden. De anderen, waaronder de verdachte [medeverdachte 4] , werden op het terrein van de loods aangehouden. Verbalisant [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat de kleding van [verdachte] erg stonk: hij vond het een chemische lucht, een beetje gelijkend op de lucht van benzine. Uit hetgeen verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd blijkt dat een van de personen blauwe handschoenen droeg, alsmede dat hij bij drie aangehouden verdachten ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) op het moment dat hij hen de boeien heeft aangelegd een sterke chemische geur rook die op benzine leek. Dit was dezelfde sterke geur als de geur die hij eerder die avond ook in de loods gelegen aan het perceel [...] had geroken. Bij nadere inspectie van de loods, bleek dat de houten plaat opzij was geschoven en dat de houten deur was opengedraaid.

Het hof overweegt als volgt. Door de Landelijk Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) is nader onderzoek verricht in de loods behorende bij de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op basis van de bevindingen van de LFO stelt het hof vast dat in voornoemde loods tot aan de dag van de ontdekking, op 18 november 2019, op grote schaal cocaïne werd teruggewonnen uit karton, dat als dragermateriaal fungeerde. Een deel van de reeds teruggewonnen cocaïne bevond zich nog in de loods. In een van de ruimten van de loods - ruimte C, welke ruimte is aangeduid als de ‘chemische ruimte’ - stonden namelijk vijf Jumbotassen gevuld met in totaal meer dan 70 kilogram cocaïnebase. Gelet op de bevindingen van de LFO en de (door hen) aangetroffen voorwerpen en stoffen, was de cocaïnewasserij ingericht en gereed voor het terugwinnen van nog meer cocaïne uit karton. In de loods waar de cocaïnewasserij was opgesteld, was ook een aparte ruimte ingericht als slaapplek (ruimte H). In deze ruimte waren acht slaapplaatsen ingericht (met dekens en kussens op de matrassen, procesdossier p. 238), welke recent nog waren gebruikt. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen en het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachten - waaronder de verdachte - in de directe omgeving van de aangetroffen cocaïnewasserij zijn aangehouden. Voorts rook de kleding van verdachten ten tijde van de aanhoudingen naar een chemische geur die op benzine leek, welke geur ook in de cocaïnewasserij werd geroken. Uit de inhoud van het dossier blijkt ook dat de kleding en schoenen van de verdachten in beslag zijn genomen. Vervolgens zijn per verdachte de kleding en schoenen per stuk verpakt in een papieren zak daarna per verdachte in een plastic zak gedaan. Met betrekking tot het nader onderzoek aan de kleding heeft verbalisant [verbalisant 6] gerelateerd dat hij bij het openen van de plastic zakken een zoete weeïge chemische lucht rook, die afkomstig was van de kleding en de schoenen. De kledingstukken die de verdachte op 18 november 2019 droeg zijn naderhand door het NFI onderzocht. Uit de rapportage van het NFI blijkt dat in de bemonsteringen van de schoenen van de verdachte cocaïne is aangetoond. In drie bemonsteringen van verdachtes joggingbroek (rechterheup, rechterenkel en het kruis/bovenbeen) is eveneens cocaïne aangetoond. Ook in een bemonstering van de trui van de verdachte is cocaïne aangetoond. Voorts blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat onder de schoenen van de verdachten pulp is aangetroffen, gelijkend op het kartonpulp dat eveneens in de cocaïnewasserij was aangetroffen. Bovendien blijkt uit de inhoud van het dossier dat onder verdachte [verdachte] een wit met blauw notitieboekje/kladblok is aangetroffen waarop niet alleen wordt gesproken over 'base' en ‘zakken’, maar waarin ook tekeningen werden aangetroffen welke overeenkomen met materialen/ketels die in de cocaïnewasserij werden aangetroffen. Uit het bericht van medeverdachte [medeverdachte 1] ‘we zitten binnen en buiten de brandweer en de politie’ dat hij 18 november 2019 aan zijn vrouw stuurde blijkt ook dat de verdachten in de loods waren op het moment van de ontdekking van het drugslab.

Gelet op het vorenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de zes aangehouden verdachten, waaronder verdachte [verdachte] , op 18 november 2019 allen in de loods verbleven alwaar de cocaïnewasserij was opgebouwd en ingericht en dat zij van daaruit, toen zij bemerkten dat zij waren ontdekt, hebben getracht te vluchten.

Dat de verdachten ook in de loods werkzaam waren vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de Whatsapp-gesprekken die verdachte [medeverdachte 1] met zijn vrouw heeft gevoerd. Uit die gesprekken maakt het hof op dat de werkzaamheden - in ieder geval - vanaf 1 november 2019 zijn gestart. Bovendien zijn op zijn telefoon foto’s aangetroffen ter zake waarvan niet alleen blijkt dat aan die foto’s GPS-coördinaten zijn gekoppeld en dat deze coördinaten overeenkomen met de locatie alwaar de cocaïnewasserij is aangetroffen, maar ook dat de goederen die op de foto’s te zien zijn overeenkomen met de materialen die op de plaats delict zijn aangetroffen.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de bevindingen en de waarnemingen van de verbalisanten die zij ten aanzien van de door hen geroken chemische lucht (een beetje gelijkend op de lucht van benzine) hebben opgetekend. De bevindingen passen bij het aantreffen van een cocaïnewasserij in de loods. Ook ziet het hof geen reden te twijfelen aan de bevindingen dat het materiaal onder de schoenen van alle verdachten sterke gelijkenissen vertoonde met de kartonpulp die in de loods is gevonden. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat nog nader onderzoek is verricht naar de vraag of buiten de loods (pok) kartonpulp/kartonafval is aangetroffen, welke vraag ontkennend is beantwoord.

Ten aanzien van de individuele betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten van de verdachte stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Ofschoon de bevindingen omtrent de geur van de kleding en de schoenen op zichzelf genomen zonder nader deskundig onderzoek van het NFI nog niet zonder meer tot een bewezenverklaring zou kunnen leiden, kunnen zij wel dienen ter ondersteuning van de verdenking jegens de verdachte die onder andere volgt uit de omstandigheid dat hij samen met vijf medeverdachten op heterdaad is aangehouden in de directe nabijheid van een loods waaruit zij - zoals hiervoor overwogen - waren gevlucht toen de cocaïnewasserij was ontdekt.

Bovendien blijkt uit de inhoud van het dossier dat onder de verdachte een wit met blauw notitieboekje/kladblok is aangetroffen waarop niet alleen wordt gesproken over ‘base’, 'blok' en 'zakken', maar waarin ook tekeningen werden aangetroffen die overeenkomen met materialen/ketels die in de cocaïnewasserij werden aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft hierover gerelateerd dat hij heeft gezien dat de verdachte, toen hij op een plantenbak zat, het wit met blauwe notitieboekje met zijn rechterhand uit zijn binnenzak haalde en achter zijn rug bracht. [verbalisant 2] heeft de verdachte toen omhoog getild. Net op dat moment werd - net als de verdachte eerder - een andere verdachte op de plantenbak neergezet. Toen de verdachte stond, zag [verbalisant 2] in de plantenbak het notitieboekje liggen. Op basis van de inhoud van het dossier is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen en bevindingen van [verbalisant 2] . Gelet op hetgeen [verbalisant 2] heeft gerelateerd stelt het hof vast dat [verbalisant 2] reeds voordat een andere verdachte (ook) op de plantenbak werd gezet zag dat de verdachte een wit met blauw boekje achter zijn rug hield. Naar het oordeel van het hof kan dan ook genoegzaam worden vastgesteld dat de verdachte het betreffende notitieboekje in zijn bezit heeft gehad en in de plantenbak heeft achtergelaten.

Dat het notitieboekje zou toebehoren aan één van de andere verdachten acht het hof niet aannemelijk geworden. Hierbij neemt het hof in het bijzonder nog in aanmerking dat in het notitieboekje de woorden ‘zakken’ en ‘blok’ in de Nederlandse taal zijn geschreven en dat de verdachte de enige van de aangehouden verdachten was die de Nederlandse taal sprak. Nu de verdachte in de directe omgeving van de cocaïnewasserij is aangehouden en hij in bezit was van een notitieboekje dat gelet op de inhoud daarvan betrekking heeft op die cocaïnewasserij, duidt dat naar het oordeel van het hof op betrokkenheid van de verdachte bij de aangetroffen cocaïnewasserij.

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten wijst het hof voorts op een paar handschoenen die in de chemische ruimte (ruimte C) zijn aangetroffen ter hoogte van de bakken met pulp. Allereerst ziet het hof, anders dan de verdediging, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen reden om te twijfelen aan de bevindingen waarbij ruimte C als chemische ruimte is aangeduid. De handschoenen die daar zijn aangetroffen, zijn vervolgens onderzocht op dragersporen. Op de rechterhandschoen is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen, waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte en minimaal een andere persoon. Met betrekking tot het DNA-mengprofiel is geconcludeerd dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA van de verdachte en een willekeurige onbekende persoon bevat dan dat de bemonstering DNA van twee willekeurige onbekende personen bevat. Het hof concludeert dan ook dat het DNA van de verdachte afkomstig is.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte is aangetroffen bij de loods met een cocaïnewasserij waar cocaïne werd gewonnen uit kartonpulp, dat er in de chemische ruimte van de wasserij handschoenen met het DNA van de verdachte zijn gevonden en dat onder dé verdachte een notitieboekje in beslag is genomen waarin tekeningen staan die overeenkomen met de materialen/ketels die in de cocaïnewasserij werden gebruikt en de - gedeeltelijk Nederlandse - woorden ‘base’, ‘blok’ en ‘zakken’ staan die eveneens in verband kunnen worden gebracht met de cocaïnewasserij. Daarnaast rook de verdachte net als zijn medeverdachten naar de sterke chemische geur die op benzine leek van de .cocaïnewasserij en had hij riet als zij kartonpulp onder zijn schoenen die leek op hét pulp uit de cocaïnewasserij. Uit deze feiten en omstandigheden, volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij betrokken is geweest bij de aangetroffen cocaïnewasserij. Hij heeft verklaard dat hij op 18 november 2019 door een kennis werd opgehaald in [plaats] en dat zij aan het eind van de middag arriveerden bij de loods in [plaats] . Hij zou geld verdienen om drugsafval, van wiet, af te voeren. De verdachte heeft vuilniszakken ingeladen en heeft daarbij handschoenen gedragen. Op enig moment reed de kennis van de verdachte weg naar de stortplaats en de verdachte bleef toen achter in de loods om andere vuilniszakken bij de deur van de loods neer te leggen, Toen de kennis niet meer terugkwam, is de verdachte nog een aantal uren in de loods gebleven, heeft daar al die tijd niemand gezien totdat het licht uitging en er werd geroepen: "police, police", zo verklaarde de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat de verdachte bij de politie niets heeft gezegd over hoe het volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep zou zijn gegaan. Hij heeft op verschillende momenten - op 19 november 2019, 28 januari 2020 en 22 juni 2020 - een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij € 500,00 zou verdienen om drugsafval af te voeren, dit terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in totaal € 1.000,00 zou krijgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook verklaard dat het hek dat toegang gaf tot het perceel middels een afstandsbediening werd geopend. Uit de inhoud van het dossier blijkt echter dat het hek met een kettingslot was afgesloten, dat door de brandweer op 18 november 2019, om 18.21 uur, met een hydrologische nijptang werd verbroken. De verdachte heeft noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch ter terechtzitting in hoger beroep nadere (persoons)gegevens van zijn kennis willen noemen, zodat zijn verklaring op dat punt niet kan worden geverifieerd. Ook acht het hof niet aannemelijk zijn verklaring dat hij een aantal uren in de loods heeft verbleven zonder ook maar een van de vijf andere verdachten te hebben gezien. Bovendien is het hof niet gebleken van aanknopingspunten waaruit blijkt dat op 18 november 2019 - dan wel kort daaraan voorafgaand - een hennepkwekerij in de loods aanwezig was, dan wel dat daar drugsafval, wiet, (in zakken) lag. Dat er eerder in het pand - in 2013 en in 2018 - een hennepkwekerij is aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders. Het hof acht het door de verdachte geschetste scenario dan ook ongeloofwaardig en schuift dat derhalve terzijde.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voor zijn aanwezigheid in de directe omgeving van de aangetroffen cocaïnewasserij en voornoemde feiten en omstandigheden waaronder hij is aangehouden - welke omstandigheden in samenhang beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten - geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de vijf hierboven genoemde medeverdachten hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt en goederen en stoffen voorhanden heeft gehad teneinde (nog meer) cocaïne te bewerken. Het onder 1 en 2 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen

Over de periode en overige elementen van de bewezenverklaring merkt het hof nog het volgende op. Op basis van de inhoud van de Whatsapp-berichten tussen [medeverdachte 1] en zijn vrouw, en de data waarop die zijn verstuurd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat in de periode van 1 november 2018 tot en met 18 november 2019 hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne zijn bewerkt en dat de verdachte en zijn medeverdachten in deze periode stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden hebben gehad voor de bewerking van (nog meer) materiaal bevattende cocaïne. Bovendien blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat ter plaatse niet alleen op 18 november 2019 een benzinelucht werd geroken, maar dat twee weken eerder ook al een dergelijke melding was gedaan, hetgeen naar het oordeel van het hof bevestigt dat vanaf begin november 2019 de cocaïnewasserij in bedrijf was.

De verdachte heeft tot slot ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij op 23 april 2019 een ongeluk heeft gehad en dat hij in de periode daarna, waaronder in de tenlastegelegde periode, behandelingen bij een fysiotherapeut in [plaats] heeft moeten ondergaan. Ook heeft de verdachte verschillende bezoeken aan het ziekenhuis moeten brengen. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep verdachtes broer als getuige gehoord.

De broer van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte in het weekend voorafgaand aan 18 november 2019 (het hof begrijpt: op 16 en 17 november 2019) en het weekend eerder (het hof begrijpt: op 9 en 10 november 2019) bij hem verbleef.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de omstandigheden dat de verdachte bezoeken aan het ziekenhuis heeft gebracht, in behandeling bij een fysiotherapeut is geweest en in de genoemde weekenden bij zijn broer heeft verbleven. Dit staat naar het oordeel van het hof evenwel niet in de weg aan een bewezenverklaring dat de verdachte zich in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 schuldig gemaakt aan de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat een behandeling bij de fysiotherapeut volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep niet langer dan 40 minuten duurde en dat hij gedurende de tenlastegelegde periode niet iedere dag door de fysiotherapeut is behandeld. Bovendien is het hof niet gebleken dat alle bij de cocaïnewasserij betrokken personen gedurende de tenlastegelegde periode niet naar binnen of naar buiten konden gaan. In dit verband heeft [medeverdachte 1] op 7 november 2019 bijvoorbeeld het volgende bericht gestuurd: ‘Zeker schat we zijn nog niet eens op de helft maar gisteren zijn er drie mensen extra gebracht om te helpen en er komen een paar machines zodat het sneller gaat'.”

2.12

In de toelichting op de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ook voor 18 november 2019 op de locatie van de cocaïnewasserij aanwezig is geweest en daar strafbare handelingen heeft verricht.

2.13

Wat betreft het onder 3 tenlastegelegde feit geldt dat het hof - samengevat - heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 18 november 2019 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk ongeveer 72,9 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad. Voor zover het middel klaagt dat ten aanzien het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte voor 18 november 2018 strafbare handelingen heeft verricht in de cocaïnewasserij, ontbeert het derhalve feitelijke grondslag.

2.14

Wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit heeft het hof de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 bewezenverklaard. Hoewel een dergelijke bewezenverklaring doorgaans niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht, volgt in dit geval uit de bewijsoverwegingen dat het hof bewezen heeft geacht dat de verdachte ook zelf vóór 18 november 2019 een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt (feit 1) en stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden heeft gehad voor de bewerking van materiaal bevattende cocaïne (feit 2). Dat het hof bewezen acht dat de verdachte dit gedurende de gehele periode van 1 tot en met 18 november 2019 heeft gedaan, lees ik daarin echter niet.

2.15

Het hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat gedurende (een groot deel van) de periode van 1 november tot en met 18 november 2019 aan de [a-straat 1] in [plaats] een drugslab aanwezig was dat door een groep van personen in werking werd gehouden. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist. Het hof heeft volgens zijn bewijsoverwegingen verder aan zijn oordeel ten grondslag gelegd (i) de inhoud van de Whatsapp-berichten tussen [medeverdachte 1] en zijn vrouw en de data waarop die zijn verstuurd en (ii) dat ter plaatse niet alleen op 18 november 2019 een benzinelucht werd geroken, maar dat twee weken eerder ook al een dergelijke melding werd gedaan. De gebezigde bewijsmiddelen houden meer specifiek in dat [medeverdachte 1] aan zijn vrouw heeft bericht dat hij met tien man op de grond ligt (3 november), dat er drie extra mensen zijn gebracht (7 november), dat zij twee weken geleden begonnen zijn met werken en sinds hun aankomst geen daglicht hebben gezien (15 november). Verder was volgens bewijsmiddel 5 bij het laboratorium een slaapzaal ingericht.

2.16

Deze bewijsmiddelen houden in dat gedurende de tenlastegelegde periode in het drugslab werd gewerkt door een vaste groep van personen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte een van de medewerkers van het lab was, dat zijn verklaring dat hij daar slechts was om drugsafval van wiet af te voeren ongeloofwaardig is en dat hij (daarmee) voor omstandigheden die, in samenhang beschouwd, redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het hierop gebaseerde oordeel dat de verdachte ook zelf vóór 18 november 2019 een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt (feit 1) en stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden heeft gehad voor de bewerking van materiaal bevattende cocaïne (feit 2), acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2.17

Overigens zie ik ook hier geen belang bij cassatie, aangezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast wanneer wordt uitgegaan van betrokkenheid van de verdachte bij de feiten van slechts één dag. Daarbij merk ik op dat het hof in de strafmaatoverwegingen geen bijzondere betekenis heeft toegekend aan de onder 1 en 2 bewezenverklaarde periode.

3 Afronding

3.1

Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden.

3.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. HR 1 juli 2014:1496, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.75. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399 rov 2.3, onder verwijzing naar HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728.