Strafrecht overig

Medeplegen uitvoer van 40 kg hennep (art. 3.A Opiumwet), medeplegen telen van 290, 254 en 1.420 hennepplanten…

Zaakgegevens

Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 januari 2026
Datum publicatie
9 januari 2026
Zaaknummer
24/00471
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:29
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen uitvoer van 40 kg hennep (art. 3.A Opiumwet), medeplegen telen van 290, 254 en 1.420 hennepplanten (art. 3.B Opiumwet), medeplegen diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking, meermalen gepleegd (art. 311.1 Sr), medeplegen beschadiging (art. 350.1 Sr) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, meermalen gepleegd (art. 11a Opiumwet). Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof beoordelingskader m.b.t. redelijke termijn miskend door overschrijding van redelijke termijn niet te beoordelen per instantie maar voor procedure als geheel?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1140
  2. Hoge Raad · 13 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:29

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00471

Datum 13 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2024, nummer 21-002489-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 2 weken, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.