Strafrecht overig

Medeplegen beroeps- en/of bedrijfsmatig opzettelijk vervalste merkkleding te koop aanbieden en in voorraad…

Zaakgegevens

Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 januari 2026
Datum publicatie
12 januari 2026
Zaaknummer
23/02764
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:36
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen beroeps- en/of bedrijfsmatig opzettelijk vervalste merkkleding te koop aanbieden en in voorraad hebben, art. 337.1 jo. 337.3 Sr. 1. Kon hof het vonnis van Rb “kaal” bevestigen, nu daarin inhoud van redengevende bewijsmiddelen niet is weergegeven? 2. Bewijsklacht beroeps- of bedrijfsmatig karakter a.b.i. art. 337.3 Sr.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02765.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 juli 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:3146
  2. Conclusie A-G · 9 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1345
  3. Hoge Raad · 13 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:36

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02764

Datum 13 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 juli 2023, nummer 20-001820-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.