Strafrecht overig

Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt…

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
Zaaknummer
24/01829
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:435
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt buitgemaakt. Medeplegen diefstal met geweld d.m.v. braak gedurende voor nachtrust bestemde tijd in woning, art. 312.2 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verklaring van getuige en herkenning van verdachte door moeder van medeverdachte wegens onbetrouwbaarheid niet voor bewijs kunnen worden gebezigd, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht medeplegen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01694, 24/01696, 24/01697 en 24/01829.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 januari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:17
  2. Hoge Raad · 17 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:435

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01829

Datum 17 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000150-22, in de strafzaak

tegen

[de verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en acht maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.