Strafrecht overig

Medeplegen mishandeling door in woning van vriend van ander meermalen tegen gezicht en lichaam van die ander…

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
25/00233
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:595
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen mishandeling door in woning van vriend van ander meermalen tegen gezicht en lichaam van die ander te slaan en schoppen, terwijl deze op de grond ligt (art. 300.1 Sr). 1. Bewijsklachten t.a.v. bewezenverklaarde alternatieve handelingen en gedragingen en gebruik voor bewijs van herkenning van verdachte door verbalisant. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk). Omstandigheid dat feit in woning van vriend van aangever heeft plaatsgevonden en verwijzing naar LOVS-oriëntatiepunten.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 februari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:148
  2. Hoge Raad · 14 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:595

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00233

Datum 14 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 januari 2025, nummer 21-001085-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.