Strafrecht overig

Mishandeling van buurvrouw, art. 300.1 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van…

Hoge Raad, 21 april 2026

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
17 april 2026
Zaaknummer
23/04258
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:683
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling van buurvrouw, art. 300.1 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van verklaring van aangeefster, art. 359.2 Sv.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 19 oktober 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2833
  2. Conclusie A-G · 10 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:16
  3. Hoge Raad · 21 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:683

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04258

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2023, nummer 22-002348-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.