Strafrecht overig

Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen…

Zaakgegevens

Op 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 januari 2026
Datum publicatie
19 januari 2026
Zaaknummer
23/02613
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:70
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. productie van cocaïne en heroïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM) in pand in Rotterdam. Inhoud van p-v van tz. in hoger beroep, art. 326 Sv. Is onderzoek ttz. in h.b. onvolledig, nu uit pleitnota blijkt dat méér naar voren is gebracht dan in p-v van tz. is vermeld?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02479.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1221
  2. Hoge Raad · 20 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:70

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02613

Datum 20 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023, nummer 22-001873-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 28 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.