Strafrecht overig
Medeplegen invoer van 302 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t…
Hoge Raad, 26 mei 2026
ECLI:NL:HR:2026:786 · Hoge Raad · 26 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-786
Zaakgegevens
Op 26 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 mei 2026
- Datum publicatie
- 21 mei 2026
- Zaaknummer
- 23/04513
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:786
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen invoer van 302 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van cocaïne, meermalen gepleegd (art. 10a.1 Opiumwet).
1. Bewijsklacht voorbereidingshandelingen. Waren voorbereidingshandelingen gericht op invoer van cocaïne? 2. Betrouwbaarheid verklaringen van getuige. Kon hof de verklaringen van getuige voor bewijs gebruiken? 3. Bewijsklacht invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen m.b.t. medeplegen. Volgt aansturende rol van verdachte uit bewijsvoering? 4. Bewijsklachten invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen m.b.t. medeplegen. Is gebleken van handelingen die kunnen bijdragen aan de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04272 P.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 3 november 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:3027Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:269Hoge Raad · 26 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:786
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04513
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 november 2023, nummer 22-001638-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Goedhart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 66 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 60 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.