Strafrecht overig

Beklag ex art. 552a Sv gericht tegen de inbeslagneming van voorwerpen ingevolge een verzoek tot rechtshulp…

Zaakgegevens

Op 23 juni 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 juni 2020
Datum publicatie
22 juni 2020
Zaaknummer
14/00624
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1102
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag ex art. 552a Sv gericht tegen de inbeslagneming van voorwerpen ingevolge een verzoek tot rechtshulp van de Duitse autoriteiten. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 14/00625.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 mei 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:634
  2. Hoge Raad · 23 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1102

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 14/00624 B

Datum 23 juni 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2013, nummer RK 13/4893, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te op [geboortedatum] 1978,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.