Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto, waarvan klager (derde-belanghebbende die geen verdachte is in…

Hoge Raad, 4 juli 2023

Zaakgegevens

Op 4 juli 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 juli 2023
Datum publicatie
3 juli 2023
Zaaknummer
22/00640
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1022
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto, waarvan klager (derde-belanghebbende die geen verdachte is in strafzaak) stelt eigenaar te zijn, onder ander (verdachte) i.h.k.v. lopend strafrechtelijk onderzoek tegen die ander met het oog op een door strafrechter te bevelen verbeurdverklaring, waarna (na beslissing van beklagrechter) strafrechter bij (niet onherroepelijk) strafvonnis de teruggave van auto aan verdachte beveelt. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan klager worden ontvangen in zijn beroep tegen beslissing beklagrechter na beslissing strafrechter in strafzaak tegen ander tot teruggave aan die ander? Bij de stukken bevindt zich afschrift van uitspraak van Rb (RBAMS:2022:2014) in strafzaak tegen ander. In die uitspraak heeft Rb de teruggave gelast aan verdachte van inbeslaggenomen personenauto waarvan klager de teruggave heeft verzocht. Omstandigheid dat in strafzaak een beslissing over beslag is genomen, brengt met zich dat klager n-o moet worden verklaard in beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift ongegrond is verklaard. In beschikking is immers beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag. Door diens uitspraak over beslag in strafzaak tegen verdachte kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

Klager n-o. CAG: anders.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 mei 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:527
  2. Hoge Raad · 4 juli 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1022

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00640 B

Datum 4 juli 2023

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022, nummer RK 21/5466, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022 waarbij een klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave aan hem van een onder [betrokkene 2] inbeslaggenomen personenauto ongegrond is verklaard.

2.2

Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2014, in de strafzaak tegen [betrokkene 2]. In die uitspraak heeft de rechtbank de teruggave gelast aan [betrokkene 2] van de inbeslaggenomen personenauto waarvan de klager de teruggave heeft verzocht.

2.3

De omstandigheid dat in de strafzaak een beslissing over het beslag is genomen, brengt met zich dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard. In de beschikking is immers een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door diens uitspraak over het beslag in de strafzaak tegen de verdachte kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2023.