Strafrecht overig

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv t.a.v. voorwerpen die onder een ander in…

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
28 augustus 2026
Zaaknummer
24/02317
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:826
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv t.a.v. voorwerpen die onder een ander in beslag zijn genomen. Nu in (niet-onherroepelijke) strafzaak tegen die ander reeds is beslist over het beslag, heeft klaagster geen belang meer bij beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift dat strekt tot teruggave, ongegrond is verklaard. Door beslissing strafrechter tot gelasten van teruggave aan rechthebbende en verbeurdverklaring kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Conclusie strekt ertoe dat klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02317 B

Zitting 1 september 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[klaagster],

geboren op [geboortedatum] 1994,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (RK 24/000872) heeft bij beschikking van 4 juni 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard, dat strekte tot teruggave van twee Louis Vuitton tassen, één YSL tas, twee paar Christian Louboutin schoenen en contante geldbedragen van € 700,00 en € 535,00 die op 17 oktober 2023 in beslag zijn genomen onder [betrokkene 1], de echtgenoot van klaagster,.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Allereerst heb ik mij afgevraagd of de klaagster in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

2.2

Uit namens mij ingewonnen inlichtingen is gebleken dat rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 oktober 2025 (parketnummer 02-272640-23, ECLI:NL:RBZWB:2025:7491) vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. In die uitspraak heeft de rechtbank een contant geldbedrag van in totaal € 4.408,20, dat op verschillende plaatsen in de woning van deze [betrokkene 1] is aangetroffen en waarvan onderdeel uitmaken de contante geldbedragen van € 700,00 en € 535,00 waarvan de klaagster teruggave heeft verzocht, verbeurdverklaard. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de twee Louis Vuitton tassen, één YSL tas en twee paar Christian Louboutin schoenen de teruggave aan de rechthebbende gelast. Tegen dit vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de verdachte hoger beroep ingesteld en deze procedure loopt nog.

2.3

Zowel de beslissing in de strafzaak tot teruggave aan de rechthebbende als de beslissing tot verbeurdverklaring, betekent dat de klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen voormelde beschikking waarbij het klaagschrift dat strekt tot teruggave van deze goederen ongegrond is verklaard. In de bestreden beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door de beslissing van de strafrechter tot het gelasten van teruggave aan de rechthebbende ten aanzien van de genoemde luxegoederen en de beslissing tot verbeurdverklaring van het geldbedrag, kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.Dat de beslissing in de strafzaak nog niet onherroepelijk is doet daaraan niet af.Voor wat betreft de verzochte teruggave van de contante geldbedragen wijs ik nog op de rechtsgang die art. 552b Sv openstelt op het moment dat de beslissing tot verbeurdverklaring uitvoerbaar is geworden.

3 Afronding

Deze conclusie strekt ertoe dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie o.a. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, rov. 3.3; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637, rov. 2.3; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:910, rov. 2.3; HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2800, rov. 3.3; HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:759, rov. 2.3; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, rov. 2.3; HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:304, rov. 2, met verwijzing naar de bijbehorende conclusie van AG Spronken van 6 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:123; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1452, rov. 2 met verwijzing naar de bijbehorende conclusie van AG Spronken van 2 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:671. Vgl. o.a. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834, rov. 3.3; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:336, rov. 2.3; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:910, rov. 2.3 en de bijbehorende conclusie van AG Harteveld van 17 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:388; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1452, rov. 2 met verwijzing naar de bijbehorende conclusie van AG Spronken van 2 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:671, meer in het bijzonder randnummer 2.3. Zie ook HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3.